De belangrijkste stad van Edom, gelegen in het bergland ten zuidoosten van de Dode Zee. Jobab uit Bozra was een van de vroege koningen van Edom (Genesis 36:33). Jesaja beschrijft een machtig oordeel over Bozra, waarbij de Heer met bloedrode klederen uit Bozra komt (Jesaja 63:1). Jeremia profeteert dat Bozra een voorwerp van ontzetting zal worden (Jeremia 49:13).
Een stad in Moab, genoemd in Jeremia's profetie over het oordeel dat Moab zou treffen (Jeremia 48:24). Niet te verwarren met de bekendere Bozra in Edom. De stad maakte deel uit van de Moabitische steden op het plateau.
Een gedeelte van de stadsmuur van Jeruzalem dat bij de herbouw onder Nehemia werd hersteld door Uzziël, zoon van Harhaja, en Hananja de zalfbereider (Nehemia 3:8). De Brede Muur werd ook gebruikt tijdens de feestelijke inwijdingsprocessie van de muur (Nehemia 12:38). Archeologische resten van deze muur zijn gevonden in de Joodse wijk van de Oude Stad.
Bron van de roeper — de naam van de bron in Lechi die ontsprong als antwoord op Simsons gebed toen hij uitgeput was na de slachting van de Filistijnen (Richteren 15:19). Het is vereenzelvigd met de bron Ayun Kara, nabij Zora.
Een poort in de muur van Jeruzalem, bij de Siloam-vijver. Schallun, zoon van Kol-Choze, overste van het district Mizpa, herbouwde de Bronpoort en overdekte haar, en bouwde ook de muur van de vijver Siloam bij de koninklijke tuin (Nehemia 3:15). Bij de inwijding van de muur was de Bronpoort een herkenningspunt in de processie (Nehemia 12:37).
Een regio of stam in Arabië, genoemd door Jeremia samen met Dedan en Tema als volken die de beker van Gods gramschap moeten drinken (Jeremia 25:23). Buz is ook de naam van een zoon van Nachor, de broer van Abraham (Genesis 22:21), en de vader van Eliahu de Buziet uit het boek Job.
Een landstreek in het noorden van Israël die Salomo aan koning Hiram van Tyrus gaf als betaling voor zijn hulp bij de tempelbouw. Hiram was ontevreden over de twintig steden en noemde het land 'Cabul', wat mogelijk 'als niets' of 'onvruchtbaar' betekent (1 Koningen 9:13).
Een grote Romeinse havenstad aan de Middellandse Zeekust van Israël, gebouwd door Herodes de Grote en vernoemd naar keizer Augustus. Caesarea was de residentie van de Romeinse stadhouders van Judea. Hier bekeerde de Romeinse centurion Cornelius zich als eerste heiden (Handelingen 10). Paulus werd hier twee jaar gevangen gehouden en verdedigde zich voor Felix, Festus en koning Agrippa (Handelingen 23-26). Filippus de evangelist woonde er (Handelingen 8:40).
Een stad aan de voet van de berg Hermon, in het noorden van Israël, herbouwd door de viervorst Filippus en vernoemd naar keizer Tiberius en hemzelf. Hier stelde Jezus Zijn discipelen de cruciale vraag: 'Wie zeggen de mensen dat Ik ben?' Petrus antwoordde: 'U bent de Christus, de Zoon van de levende God' (Mattheüs 16:13-16). Jezus beloofde Petrus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen.
Een nederzetting verbonden met het geslacht van Kaleb en Efrata, genoemd in het geslachtsregister van Juda. Na de dood van Hezron in Kaleb-Efrata baarde zijn vrouw Abia hem Aschur, de vader van Tekoa (1 Kronieken 2:24). De naam verbindt de clan van Kaleb met het gebied rond Bethlehem (Efrata).
Een oude stad in Mesopotamië, gesticht door Nimrod als onderdeel van zijn rijk, samen met Babel, Erech en Accad (Genesis 10:10). De stad lag in het land Sinear (Babylonië) en was een van de oudste steden ter wereld.
Een stad in Syrië, door de Assyrische machthebbers aangehaald als bewijs van hun onoverwinnelijkheid. In Jesaja 10:9 vraagt de Assyrische koning retorisch: 'Is Kalno niet als Karkemis?' De profeet Amos waarschuwt Israël om naar Kalno te kijken en te zien hoe het deze stad is vergaan (Amos 6:2).
Een stad in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron. Saul richtte hier een gedenkteken op na zijn overwinning op de Amalekieten (1 Samuël 15:12). De rijke Nabal had hier zijn bezittingen en weigerde David voedsel te geven, waarop Abigaïl tussenbeide kwam en bloedvergieten voorkwam (1 Samuël 25). Na Nabals dood huwde David Abigaïl. Absalom had schaapscheerders in Karmel (2 Samuël 15:12). Niet te verwarren met de berg Karmel aan de kust.
Een plaats in Babylonië waar tijdens de ballingschap een gemeenschap van tempeldienaren (Nethinim) woonde. Ezra zond boden naar Iddo in Casifja om Levieten en tempeldienaren te rekruteren voor de terugkeer naar Jeruzalem, omdat er onder de teruggekeerden geen Levieten waren (Ezra 8:17).
Een klein eiland (het huidige Gavdos) ten zuiden van Kreta, waarbij het schip van Paulus op weg naar Rome tijdelijk beschutting vond tijdens een zware storm. De bemanning slaagde er met moeite in de sloep aan boord te hijsen (Handelingen 27:16).
Een stad in het laagland van Juda (Jozua 15:40). De stad werd aan de stam Juda toegewezen bij de verdeling van het land. De exacte locatie is niet vastgesteld.
Gebied in het zuiden van Mesopotamië, rond de benedenloop van de Eufraat en Tigris. De Chaldeeën stichtten het Nieuw-Babylonische Rijk onder Nebukadnezar II. In de Bijbel wordt 'Chaldea' vaak als synoniem voor Babylonië gebruikt. Abraham was oorspronkelijk afkomstig uit Ur der Chaldeeën.
Een stad in het stamgebied van Aser waarvan de Kanaänitische bewoners niet werden verdreven (Richteren 1:31). De stam Aser woonde tussen de oorspronkelijke bevolking.
Een stad in het stamgebied van Benjamin (Jozua 18:24). De naam betekent 'dorp van de Ammonieten', wat erop wijst dat hier ooit Ammonieten hebben gewoond. De stad lag in het bergachtige gebied van Benjamin.
Een plaats in Babylonië vanwaar teruggekeerde ballingen kwamen die hun Israëlitische afstamming niet konden bewijzen (Ezra 2:59, Nehemia 7:61). Samen met Tel-Melach en Addon behoorde Cherub tot de Babylonische steden waar Judese ballingen hadden gewoond.
Een stad op de noordgrens van het stamgebied van Juda, nabij de berg Jearim (Jozua 15:10). De stad wordt geïdentificeerd met het huidige Kesla, ten westen van Jeruzalem.
Een stad in het zuiden van het stamgebied van Juda, in de Negev (Jozua 15:30). Waarschijnlijk dezelfde plaats als Bethul of Bethuel. De stad werd later aan de stam Simeon toegewezen.
Een stad waar Juda verbleef toen zijn derde zoon Sela werd geboren (Genesis 38:5). Juda's Kanaänitische vrouw baarde hier haar jongste zoon. De stad lag in het laagland van Juda en is waarschijnlijk dezelfde als Achzib.
Een Grieks eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Klein-Azië. Paulus voer langs Chios op zijn terugreis van Troas naar Jeruzalem, aan het einde van zijn derde zendingsreis (Handelingen 20:15). Het eiland was beroemd om zijn wijn en mastiek.
Een stad aan de voet van de berg Tabor, op de grens van het stamgebied van Zebulon (Jozua 19:12). De naam betekent 'flanken van Tabor'. Waarschijnlijk dezelfde plaats als Chesulloth.
Een stad in het laagland van Juda (Jozua 15:40). De stad werd aan Juda toegewezen bij de verdeling van het land. De exacte locatie is niet vastgesteld.
Een stad aan de noordwestoever van het Meer van Galilea, waar Jezus vele wonderen verrichtte. Samen met Bethsaïda werd Chorazin door Jezus veroordeeld vanwege ongeloof: 'Wee u, Chorazin! Want als in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die bij u zijn geschied, zij zouden zich allang in zak en as bekeerd hebben' (Mattheüs 11:21). De ruïnes van een synagoge uit de derde eeuw zijn er gevonden.
Een woud of wildernisgebied in de woestijn van Zif waar David zich verborg voor Saul. Hier kwam Jonatan David bezoeken en bemoedigde hem in God. Zij vernieuwden hun verbond, waarna Jonatan naar huis ging en David in het woud bleef (1 Samuël 23:15-18). De naam betekent 'woud'.
Een stad in het stamgebied van Juda, bewoond door nakomelingen van Sela, de zoon van Juda. De families daar heersten over Moab en keerden terug naar Lehem (Bethlehem) (1 Kronieken 4:22). Waarschijnlijk dezelfde plaats als Achzib of Chezib.
Een stad van Hadadezer, koning van Zoba, waaruit David brons buitmaakte na zijn overwinning (1 Kronieken 18:8). In 2 Samuël 8:8 wordt dezelfde stad Berothaï genoemd. Salomo gebruikte dit brons later voor het maken van de koperen zee, de zuilen en andere voorwerpen voor de tempel.
Een stad in Mesopotamië (het huidige Tell Ibrahim in Irak) vanwaar de Assyrische koningen bewoners deporteerden naar Samaria na de val van het noordelijke koninkrijk Israël (2 Koningen 17:24). De Cuthieten brachten hun eigen godsdienst mee en vereerden de god Nergal (2 Koningen 17:30). De naam 'Cuthieten' werd later een scheldnaam voor de Samaritanen.
Een Romeinse provincie in het zuidoosten van Klein-Azië (het huidige zuidelijke Turkije), met Tarsus als hoofdstad. Cilicië was de geboortestreek van de apostel Paulus (Handelingen 21:39, 22:3). Paulus bezocht de gemeenten in Cilicië na het Apostelconvent (Handelingen 15:41). Via de beroemde Cilicische Poorten, een smalle bergpas in het Taurusgebergte, verbond de provincie Syrië met Klein-Azië.
Aanduiding voor het oudste deel van Jeruzalem op de heuvel Ofel, ten zuiden van de tempelberg. David veroverde deze Jebusitische vesting en maakte er zijn koninklijke residentie van (2 Samuël 5). De ark van het verbond werd hierheen gebracht. De term wordt ook gebruikt voor Bethlehem als geboorteplaats van David (Lukas 2:11).
Een stad in Egypte die volgens Jesaja's profetie de Heer der heerscharen zal aanroepen. Vijf steden in Egypte zullen de taal van Kanaän spreken en bij de Heer zweren (Jesaja 19:18). De naam 'stad der verwoesting' wordt in sommige handschriften gelezen als 'stad der zon' (Heliopolis).
Een benaming voor Jericho, de 'palmstad' in de Jordaanvallei. Mozes mocht vanuit de berg Nebo de Palmstad in de verte zien (Deuteronomium 34:3). Eglon, de koning van Moab, veroverde de Palmstad en onderdrukte Israël achttien jaar (Richteren 3:13). Bewoners van Jericho hielpen krijgsgevangenen naar de Palmstad te brengen (2 Kronieken 28:15).
Een verwijzing naar de Palmstad (Jericho) in de context van de vestiging van de Kenieten. De nakomelingen van de schoonvader van Mozes trokken vanuit de Palmstad op met de stam Juda naar de woestijn van Juda bij Arad (Richteren 1:16).
Een eiland in de Egeïsche Zee, voor de zuidwestkust van Klein-Azië. Paulus deed Kos aan op zijn terugreis naar Jeruzalem (Handelingen 21:1). Het eiland was in de oudheid beroemd om zijn geneeskunde en de tempel van Asclepius.
Het land Cush (Nubië/Ethiopië), het gebied ten zuiden van Egypte, in het huidige Soedan en Ethiopië. Cush was een machtige natie in de bijbelse tijd. Koning Tirhaka van Cush kwam op tegen Sanherib van Assyrië (2 Koningen 19:9). Jesaja profeteert dat God een overblijfsel uit Cush zal terughalen (Jesaja 11:11). Psalm 68:31 voorzegt dat Cush zijn handen naar God zal uitstrekken.
Het land Cush dat wordt genoemd bij de beschrijving van de rivieren in de hof van Eden. De rivier Gichon stroomde rondom het hele land Cush (Genesis 2:13). Dit Cush wordt door sommigen onderscheiden van het Afrikaanse Cush en meer in Mesopotamië geplaatst.
Land van verbrande gezichten — het Griekse woord waarmee het Hebreeuwse Cusj wordt weergegeven (Genesis 2:13; 2 Koningen 19:9; Ester 1:1; Job 28:19; Psalm 68:31; 87:4). Een land dat ten zuiden van Egypte lag, beginnend bij Syene aan de Eerste Cataract (Ezechiël 29:10; 30:6), en zich uitstrekkend voorbij de samenvloeiing van de Witte en Blauwe Nijl. Het komt globaal overeen met het huidige Soedan. Dit land was bekend bij de Hebreeën en wordt beschreven in Jesaja 18:1 en Zefanja 3:10. De inwoners waren nakomelingen van Cham (Genesis 10:6; Jeremia 13:23; Jesaja 18:2). Herodotus beschreef hen als "de langste en knapste mensen." Ethiopië wordt vermeld in profetieën (Psalm 68:31; 87:4; Jesaja 45:14; Ezechiël 30:4-9; Daniël 11:43; Nahum 3:8-10; Habakuk 3:7; Zefanja 2:12).
Het grote eiland in de oostelijke Middellandse Zee, in de Bijbel ook Kittim genoemd. Cyprus was de geboorteplaats van Barnabas (Handelingen 4:36) en het eerste zendingsdoel van Paulus en Barnabas op hun eerste reis (Handelingen 13:4-12). Op Cyprus verblindde Paulus de tovenaar Elymas en bekeerde de stadhouder Sergius Paulus. Het eiland was een belangrijk knooppunt voor handel en scheepvaart.
Een grote Griekse stad in Noord-Afrika (het huidige Libië). Simon van Cyrene werd gedwongen het kruis van Jezus te dragen op weg naar Golgotha (Mattheüs 27:32). Joden uit Cyrene waren aanwezig op het Pinksterfeest (Handelingen 2:10) en speelden een rol in de verspreiding van het evangelie, onder andere in Antiochië (Handelingen 11:20). Lucius van Cyrene was een leider in de gemeente van Antiochië (Handelingen 13:1).
Een stad op de grens van het stamgebied van Zebulon (Jozua 19:11). De stad lag aan de zuidwestelijke grens van Zebulon, richting de Vlakte van Jizreël.