Een plaats op de grens van het stamgebied van Naftali (Jozua 19:33). Heber de Keniet, afstammeling van Mozes' schoonvader, had zich bij de eik van Zaänannim nabij Kedes gevestigd (Richteren 4:11). In de tent van Heber's vrouw Jaël werd de Kanaänitische legeraanvoerder Sisera gedood toen hij er na zijn nederlaag schuilzocht.
Een stad in Edom waar koning Joram van Juda een veldslag tegen de Edomieten leverde. Hoewel Joram de omsingeling doorbrak, vluchtte het volk naar hun tenten — Edom maakte zich voorgoed los van Juda's heerschappij (2 Koningen 8:21). De exacte locatie is onzeker.
Een van de vijf steden in de vlakte van de Jordaan, samen met Sodom, Gomorra, Adma en Zoar (Genesis 10:19, 14:2). Zeboïm werd samen met Sodom en Gomorra verwoest door vuur en zwavel uit de hemel (Deuteronomium 29:23). God worstelt in Hosea met Zijn mededogen: 'Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm? Hoe zou Ik u overgeven, Israël? Hoe zou Ik u maken als Adma, u gelijkstellen met Zeboïm?' (Hosea 11:8).
Een stad in het stamgebied van Benjamin die na de Babylonische ballingschap opnieuw werd bewoond (Nehemia 11:34). De stad lag nabij Lod en Neballat. Onderscheiden van Zeboïm, de verwoeste stad in de vlakte.
Een stad op de noordgrens van het beloofde land, zowel in de grensbeschrijving van Mozes (Numeri 34:8) als in Ezechiëls toekomstvisioen (Ezechiël 47:15). De stad lag nabij Lebo-Hamath en markeerde de noordoostelijke grens van het ideale Israël.
De 'tong' (zeeboezem) van de Egyptische zee, waarschijnlijk de Golf van Suez. Jesaja profeteert dat God bij de terugkeer van Zijn volk 'de tong van de Egyptische zee zal slaan' en de Eufraat in zeven beken zal verdelen, zodat men er droogvoets doorheen kan trekken (Jesaja 11:15). Dit herinnert aan de doortocht door de Rode Zee bij de uittocht.
Johannes (6:1; 21:1) noemt het de 'Zee van Tiberias'. Dit meer is circa 20 km lang en 6 tot 12 km breed. Het wateroppervlak ligt 208 meter onder de zeespiegel. De diepte varieert van 24 tot 49 meter. De Jordaan stroomt het meer binnen circa 17 km ten zuiden van het Hulameer. Het meer ligt 43 km ten oosten van de Middellandse Zee en circa 97 km ten noordoosten van Jeruzalem. Het is ovaalvormig en rijk aan vis. Deze zee is vooral van belang vanwege de openbare bediening van Jezus. Kapernaüm, 'zijn eigen stad' (Mattheüs 9:1), lag aan de oevers. Uit de vissers die op het meer werkten koos hij Petrus en zijn broer Andreas, en Jakobus en Johannes als discipelen, en zond hen uit om 'vissers van mensen' te worden (Mattheüs 4:18, 22; Marcus 1:16-20; Lucas 5:1-11). Hij stilde er de storm met de woorden 'Vrede, wees stil' (Mattheüs 8:23-27) en hier verscheen hij ook na zijn opstanding aan zijn discipelen (Johannes 21).
De oorspronkelijke naam van Horma, een Kanaänitische stad in het zuiden van het beloofde land. Juda en Simeon versloegen de Kanaänieten en 'sloegen de stad met de ban. Daarom noemden zij de stad Horma' (Richteren 1:17). De naam Zefat werd veranderd in Horma, wat 'vernietiging' of 'ban' betekent.
Een stad in het stamgebied van Benjamin (Jozua 18:28). De beenderen van Saul en Jonathan werden uiteindelijk in het familiegraf van Sauls vader Kis in Zela begraven (2 Samuël 21:14).
Een plaats op de grens van het stamgebied van Benjamin, bij het graf van Rachel. Samuël gaf Saul als teken: 'Wanneer u vandaag van mij weggaat, zult u twee mannen vinden bij het graf van Rachel, op de grens van Benjamin, bij Zelzah' (1 Samuël 10:2). Dit was het eerste van drie tekenen die Sauls zalving tot koning bevestigden.
Een stad in het bergland van Efraïm, de geboorteplaats van Jerobeam, de eerste koning van het noordelijke rijk Israël. 'Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, wiens moeder Zerua heette, een weduwe — ook hij hief zijn hand op tegen koning Salomo' (1 Koningen 11:26).
Een plaats in het Jordaandal, nabij Sukkoth, waar de koperen voorwerpen voor Salomo's tempel werden gegoten. 'In de vlakte van de Jordaan liet de koning ze gieten, in dikke kleigrond, tussen Sukkoth en Zereda' (2 Kronieken 4:17). Waarschijnlijk dezelfde als Zaretan.
Een stad in het Jordaandal, vermeld bij Gideons overwinning. De vluchtende Midianieten werden achtervolgd 'tot Beth-Sitta, naar Zerera' (Richteren 7:22). De stad lag ten oosten van de Jordaan. Waarschijnlijk dezelfde als Zaretan of Zereda.
Een stad ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Ruben (Jozua 13:19). De stad lag op het Moabitische plateau. De naam betekent 'glans van de dageraad'.
Een stad op de noordgrens van het beloofde land, bij de grens van Hamath: 'De grens gaat verder naar Zifron en eindigt bij Hazar-Enan' (Numeri 34:9). De stad markeerde een punt op de ideale noordgrens van het land.
Een stad in het zuiden van het beloofde land, oorspronkelijk aan Juda en Simeon toegewezen (Jozua 15:31, 19:5). De Filistijnse koning Achis gaf Ziklag aan David als woonplaats toen deze voor Saul vluchtte: 'Achis gaf hem op die dag Ziklag. Daarom behoort Ziklag tot op deze dag aan de koningen van Juda' (1 Samuël 27:6). De Amalekieten overvielen en verbrandden Ziklag terwijl David afwezig was en namen de vrouwen gevangen, waaronder Davids vrouwen Ahinoam en Abigaïl. David achtervolgde hen en herwon alles (1 Samuël 30). In Ziklag ontving David het bericht van Sauls dood (2 Samuël 1:1). Diverse krijgslieden sloten zich bij David aan in Ziklag (1 Kronieken 12:1-20).
Een onbekend volk of gebied, vermeld in Jeremia's lijst van volken die de beker van Gods toorn moeten drinken: 'alle koningen van Zimri' (Jeremia 25:25). De exacte locatie en identiteit zijn onzeker.
De woestijn van Zin, een dor gebied in het zuiden van het beloofde land, grenzend aan Edom. De verspieders trokken door het land 'van de woestijn van Zin tot Rechob bij Lebo-Hamath' (Numeri 13:21). In de woestijn van Zin, te Kades, stierf Mirjam en werd begraven (Numeri 20:1). Hier zondigden Mozes en Aäron bij het water van Meriba (Numeri 27:14). De woestijn van Zin vormde de zuidgrens van het beloofde land (Numeri 34:3).
Een woestijngebied (Zin) als onderdeel van de zuidgrens van het beloofde land. De grens liep 'van het uiteinde van de Zoutzee naar het oosten, ombuigend naar het zuiden, naar de Schorpioenenkloof, en verder door naar Zin' (Numeri 34:3-4, Jozua 15:3).
Een stad in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron (Jozua 15:55). David verborg zich in de woestijn van Zif, maar de Zifieten verraadden tweemaal zijn schuilplaats aan Saul (1 Samuël 23:19, 26:1). Rehabeam versterkte Zif als vestingstad (2 Kronieken 11:8). De stad lag in een strategisch heuvelachtig gebied.
Een bergpas in de woestijn van Juda, bij het dal van Beracha. God zei tegen Josafat: 'Morgen zult u tegen hen optrekken; zij komen op langs de pas van Ziz, en u zult hen aantreffen aan het einde van het dal, tegenover de woestijn van Jeruël' (2 Kronieken 20:16). God liet de vijandelijke legers van Moab, Ammon en Seïr elkaar vernietigen zonder dat Juda hoefde te strijden.
Een oude stad in het oostelijke Nijldelta van Egypte (het Griekse Tanis). Zoan was een van de oudste steden van Egypte — Hebron werd 'zeven jaar eerder gebouwd dan Zoan in Egypte' (Numeri 13:22). De psalmist herinnert aan Gods wonderen 'in het veld van Zoan' (Psalm 78:12,43). Jesaja berispt 'de dwaze vorsten van Zoan' (Jesaja 19:11,13). De stad was een koninklijke residentie van de farao's.
Een stad aan de zuidoostelijke oever van de Dode Zee, de kleinste van de vijf steden in de vlakte (Genesis 14:2,8). Lot vluchtte naar Zoar toen Sodom en Gomorra werden verwoest, nadat hij had gesmeekt om naar deze kleine stad te mogen gaan in plaats van naar het gebergte: 'Deze stad is dichtbij genoeg om erheen te vluchten, en zij is klein' (Genesis 19:20-23). De naam betekent 'klein'. Mozes zag vanuit de berg Nebo 'de vlakte, het dal van Jericho, de Palmstad, tot Zoar' (Deuteronomium 34:3). Jesaja en Jeremia noemen Zoar in hun profetieën over Moab (Jesaja 15:5, Jeremia 48:34).
Een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, een machtige vijand van Israël. Saul voerde oorlog tegen Zoba (1 Samuël 14:47). David versloeg Hadadezer, de koning van Zoba, bij de Eufraat en bemachtigde veel goud, zilver en koper (2 Samuël 8:3-12). De Ammonieten huurden soldaten van Zoba voor hun oorlog tegen David, maar werden verslagen (2 Samuël 10:6-19). Rezon, een dienaar van Hadadezer, vluchtte en werd later koning van Damascus — een tegenstander van Salomo (1 Koningen 11:23-25).
Het veld van de Zofieten (wachters), een hoogvlakte op de berg Pisga in Moab. Balak nam Bileam mee naar 'het veld van de Zofieten, op de top van de Pisga' voor zijn tweede poging om Israël te laten vervloeken (Numeri 23:14). In plaats daarvan profeteerde Bileam opnieuw zegen over Israël: 'God is geen man, dat Hij liegen zou' (Numeri 23:19).
Een stad in het laagland van Juda, op de grens met Dan (Jozua 15:33, 19:41). Zora is de geboorteplaats van Simson. Zijn vader Manoach kwam uit Zora, uit het geslacht van Dan (Richteren 13:2). De Engel des HEEREN verscheen hier tweemaal aan Manoach en zijn vrouw om Simsons geboorte aan te kondigen (Richteren 13:3-20). De Geest begon Simson aan te zetten 'in het legerkamp van Dan, tussen Zora en Estaol' (Richteren 13:25). Na zijn dood werd Simson begraven 'tussen Zora en Estaol in het graf van zijn vader Manoach' (Richteren 16:31). Vanuit Zora vertrokken de Danieten op hun veroveringstocht naar het noorden (Richteren 18:2,8,11).
Een plaats waar David de Syriërs versloeg (2 Samuël 8:13). Dit dal (de Araba) ligt tussen Juda en Edom, ten zuiden van de Dode Zee. Sommige uitleggers voegen de woorden 'en hij versloeg Edom' in na 'Syriërs' in bovengenoemde tekst. Men vermoedt dat terwijl David zijn leger aanvoerde tegen de Ammonieten en Syriërs, de Edomieten het zuiden van Juda binnenvielen, en dat David Joab of Abisaï tegen hen zond, die hen terugdreef en uiteindelijk Edom onderwierp (vgl. opschrift van Psalm 60). Hier versloeg ook Amazia 'tienduizend man van Edom' (2 Koningen 14:7; vgl. 2 Kronieken 25:5-11).
Een stad in de woestijn van Juda (Jozua 15:62). De stad lag in het onherbergzame gebied nabij de Dode Zee, samen met Middin en Nibshan. De naam verwijst naar de nabijheid van het zoute water van de Dode Zee.
De Dode Zee (Zoutzee), het grote binnenmeer op de grens van Israël en Jordanië, het laagste punt op aarde (circa 430 meter onder zeeniveau). In Genesis 14:3 wordt de vallei van Siddim, waar de slag van de vier tegen vijf koningen plaatsvond, geïdentificeerd met de Zoutzee. De zee vormde de oostelijke grens van het stamgebied van Juda (Numeri 34:3,12, Deuteronomium 3:17). Bij de Dode Zee lagen de verwoeste steden Sodom en Gomorra. Ezechiël profeteert dat het water van de toekomstige tempel naar de Dode Zee zal stromen en het zoute water gezond zal maken (Ezechiël 47:8-10).
Een landstreek in het bergland van Efraïm, waardoor Saul trok op zoek naar zijn vaders ezelinnen. 'Toen zij in het land Zuf kwamen, zei Saul tegen zijn knecht: Kom, laten wij terugkeren' (1 Samuël 9:5). In het land Zuf ontmoette Saul de profeet Samuël, die hem tot koning zalfde. Het is het thuisgebied van de Zufieten, waartoe Samuëls vader Elkana behoorde.
Droge, halfwoestijnachtige streek in het zuiden van Israël. Abraham en Isaak verbleven hier als nomadische herders. De Negeb vormde de zuidgrens van het bewoonde land Israël. Belangrijke steden in de Negeb waren Berseba en Arad. De profeten beloofden dat de Negeb in de toekomst weer zou bloeien.
Een poort aan de zuidzijde van de tempel in Jeruzalem. Bij de verdeling van poortwachtersdiensten door David werden het lot van de Zuidpoort aan Obed-Edom en zijn zonen toegewezen (1 Kronieken 26:15). Zij bewaakten ook de voorraadkamers.
Een zuilengang of kloostergang, waarschijnlijk aan de oostzijde van de tempel (Johannes 10:23; Handelingen 3:11; 5:12). Het wordt niet genoemd in verband met de eerste tempel, maar Josephus vermeldt een dergelijke zuilengang in de tempel van Herodes.