Het uitgestrekte gebied van de Arameeërs (Syriërs) in het huidige Syrië en Noord-Mesopotamië, met Damascus als belangrijkste stad. Aram was een belangrijke buurstaat en regelmatige tegenstander van Israël. Bileam kwam uit Aram om Israël te vervloeken (Numeri 23:7). David versloeg de Arameeërs en maakte hen schatplichtig (2 Samuël 8:6). Jakob vluchtte naar Aram om een vrouw te zoeken bij zijn oom Laban.
Het Tweestromenland, het gebied tussen de Eufraat en de Tigris in het noorden van Mesopotamië. De naam betekent 'Aram van de twee rivieren'. David behaalde een overwinning in dit gebied, zoals vermeld in het opschrift van Psalm 60. Het was het stamland van de aartsvaders, waar Abraham vandaan kwam.
Een bergachtig gebied in het oosten van het huidige Turkije en Armenië. De ark van Noach kwam na de zondvloed tot rust op het gebergte van Ararat (Genesis 8:4). Het gebied wordt ook genoemd als de plaats waarheen de zonen van Sanherib vluchtten nadat zij hun vader, de Assyrische koning, hadden vermoord (2 Koningen 19:37). Jeremia roept het koninkrijk Ararat op tegen Babel (Jeremia 51:27).
De Areopagus of Marsheuvel in Athene, een rotsachtige heuvel ten noordwesten van de Akropolis die diende als vergaderplaats van de Atheense raad. Hier hield de apostel Paulus zijn beroemde toespraak over de 'onbekende god', waarin hij het evangelie presenteerde aan Griekse filosofen en de opstanding van Christus verkondigde (Handelingen 17:19-34). Dionysius de Areopagiet was een van de bekeerlingen.
Een vruchtbaar gebied in Basan, ten oosten van het Meer van Galilea, met zestig versterkte steden. Het werd veroverd door Mozes op koning Og van Basan en toegewezen aan de halve stam Manasse (Deuteronomium 3:4-14). Later viel het onder het bestuur van een van Salomo's twaalf districtshoofden (1 Koningen 4:13).
Een stad in het Judese heuvelland, de woonplaats van Jozef van Arimathea. Deze rijke en vooraanstaande man was lid van de Joodse Raad en een heimelijke volgeling van Jezus. Na de kruisiging vroeg hij Pontius Pilatus om het lichaam van Jezus en legde het in zijn eigen nieuwe rotsgraf (Mattheüs 27:57-60). Hiermee werd de profetie vervuld dat de Messias bij een rijke begraven zou worden (Jesaja 53:9).
Een poëtische naam voor Jeruzalem, gebruikt door de profeet Jesaja. De naam betekent 'leeuw van God' of 'altaarhaard van God'. Jesaja profeteerde dat Ariël belegerd zou worden maar dat haar vijanden uiteindelijk als een droom zouden vergaan (Jesaja 29:1-7). David had de stad veroverd en er zijn hoofdstad van gemaakt.
De profetische locatie van de laatste grote veldslag aan het einde der tijden, genoemd in Openbaring 16:16. De naam wordt vaak verbonden met Har-Megiddo (berg van Megiddo) in de Vlakte van Jizreël, een gebied waar door de eeuwen heen vele beslissende veldslagen plaatsvonden. In de Openbaring worden de koningen van de aarde hier verzameld voor de strijd op de grote dag van God de Almachtige.
Een stad aan de noordelijke oever van de rivier de Arnon, op de grens van het Amoritische en Moabitische gebied. De stad werd door de stam Gad herbouwd (Numeri 32:34) en diende als zuidelijke grensstad van het Overjordaanse Israël. Aroër was het beginpunt van de veroveringen van Mozes ten oosten van de Jordaan (Deuteronomium 2:36).
Een stad in het stamgebied van Gad, ten oosten van de Jordaan, 'tegenover Rabba' (de Ammonitische hoofdstad). Jefta versloeg de Ammonieten in het gebied van Aroër tot aan Minnith (Richteren 11:33). De stad wordt onderscheiden van het Aroër aan de Arnon.
Een stad in de Negev van Juda, waarheen David een deel van de buit zond na zijn overwinning op de Amalekieten die Ziklag hadden geplunderd (1 Samuël 30:28). David deelde de buit met de steden waar hij en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden verbleven.
Een stad waaruit Sama en Jeïël, twee van Davids dappere helden, afkomstig waren (1 Kronieken 11:44). De exacte locatie van deze stad is onbekend en wordt onderscheiden van de andere plaatsen met dezelfde naam.
Een belangrijke stad in het noorden van Syrië, vaak samen met Hamath genoemd. Arpad werd veroverd door de Assyrische koningen en diende als waarschuwend voorbeeld van Assyrische militaire macht. De Assyrische veldheren verwezen naar de val van Arpad om Jeruzalem te intimideren tijdens de belegering onder Sanherib (2 Koningen 18:34). Jesaja profeteerde over de val van Arpad als onderdeel van het oordeel over Syrië.
Een stad in het district van Ben-Hesed, een van Salomo's twaalf districtshoofden die verantwoordelijk waren voor de bevoorrading van het koninklijk hof (1 Koningen 4:10). Het district omvatte ook Socho en het hele land Hefer.
Een stad waar Abimelech, de zoon van Gideon, verbleef na zijn machtsovername in Sichem. Nadat Gaal een opstand tegen Abimelech had geleid, verdreef Zebul (de stadhouder van Sichem) Gaal, waarna Abimelech vanuit Aruma optrok om Sichem te vernietigen (Richteren 9:31-41).
Een eilandstad voor de kust van Fenicië (het huidige Arwad in Syrië), de meest noordelijke Fenicische stad. De inwoners van Arvad dienden als roeiers en soldaten voor de stad Tyrus, zoals beschreven in Ezechiëls klaagzang over Tyrus (Ezechiël 27:8,11). Arvad was vermaard om zijn zeelieden en krijgers.
Een stad die zowel aan Juda als aan Simeon wordt toegeschreven, en later als levitische stad diende (Jozua 15:42, 19:7, 1 Kronieken 6:59). De stad lag in het zuiden van het stamgebied van Juda, in de Negev-regio.
Een van de vijf belangrijke Filistijnse steden, gelegen aan de Middellandse Zeekust. Nadat de Filistijnen de ark van het verbond hadden buitgemaakt, brachten zij deze naar de tempel van Dagon in Ashdod, waar het Dagonbeeld herhaaldelijk omviel en de inwoners met gezwellen werden gestraft (1 Samuël 5). In de tijd van Nehemia trouwden Joden met vrouwen uit Ashdod, wat tot taalverlies leidde (Nehemia 13:23-24).
Een stad in het laagland (de Sjefela) van het stamgebied van Juda (Jozua 15:33). De stad maakte deel uit van de eerste groep steden in de Sjefela die aan Juda werden toegewezen bij de verdeling van het land.
Een tweede stad met de naam Ashna in het stamgebied van Juda, eveneens gelegen in het laagland (Jozua 15:43). Deze stad behoorde tot een andere groep steden dan Ashna 1 en lag waarschijnlijk meer naar het zuiden.
Een stad in het Overjordaanse waar Kedorlaomer en zijn bondgenoten de Refaïeten (reuzen) versloegen in de tijd van Abraham (Genesis 14:5). De naam betekent 'Astarte van de twee horens'. De stad lag ten oosten van het Meer van Galilea, in het latere Basan.
De Romeinse provincie in het westen van Klein-Azië (het huidige westelijke Turkije), met Efeze als hoofdstad. Asia was een belangrijk werkterrein van de apostel Paulus: hij verbleef er meer dan twee jaar, zodat alle bewoners van Asia het woord van de Heer hoorden (Handelingen 19:10). De zeven gemeenten uit Openbaring 2-3 lagen allemaal in deze provincie.
Een van de vijf grote Filistijnse steden aan de Middellandse Zeekust. Simson doodde hier dertig mannen om hun kleding te bemachtigen na een verloren weddenschap (Richteren 14:19). David klaagde na de dood van Saul: 'Vertel het niet in Gath, maak het niet bekend in de straten van Askelon' (2 Samuël 1:20). Meerdere profeten kondigden het oordeel over Askelon aan.
Een volk of gebied genoemd door Jeremia in zijn oproep aan koninkrijken om op te trekken tegen Babel (Jeremia 51:27). Ashkenaz wordt samen met Ararat en Minni opgeroepen. In Genesis 10:3 is Ashkenaz een kleinzoon van Jafeth, via Gomer. In latere Joodse traditie werd de naam geassocieerd met Duitsland en Noord-Europa.
De oude stad Assur aan de rivier de Tigris, het oorspronkelijke hart van het Assyrische Rijk en genoemd naar de god Assur. In Bileams profetie wordt Assur genoemd als toekomstige macht (Numeri 24:22-24). De stad was een belangrijk handels- en religieus centrum van Mesopotamië. In Ezechiël 27:23 wordt Assur genoemd als handelspartner van Tyrus.
Een havenstad aan de westkust van Klein-Azië, tegenover het eiland Lesbos. Paulus reisde te voet van Troas naar Assos, waar zijn reisgenoten hem per schip opwachtten, op zijn terugreis naar Jeruzalem aan het einde van zijn derde zendingsreis (Handelingen 20:13-14).
Machtig rijk in het noorden van Mesopotamië (het huidige Noord-Irak), met hoofdsteden als Nineve en Assur. Assyriërs waren beruchte veroveraars die het noordelijke koninkrijk Israël in 722 v.Chr. wegvoerden in ballingschap. De profeten Jesaja, Nahum en Jona profeteerden over en tegen Assyrië. Het rijk viel in 612 v.Chr. met de val van Nineve.
Astarot van de twee hoorns, de woonplaats van de Refaïeten (Genesis 14:5). Het kan geïdentificeerd worden met het eerdergenoemde Astarot; 'Karnaïm' betekent 'de twee-hoornige' (de halve maan). De Samaritaanse versie vertaalt het woord met 'Sunamein', het huidige es-Sunamein, 45 km ten zuiden van Damascus.
Een stad in Basan, ten oosten van het Meer van Galilea, waar koning Og van Basan regeerde. Og was de laatste van de Refaïeten (reuzen) en werd door Mozes verslagen (Deuteronomium 1:4, Jozua 12:4). De stad werd toegewezen aan de halve stam Manasse (Jozua 13:31). Ashtaroth was genoemd naar de Kanaänitische godin Astarte.
Een stad in het zuiden van Juda waarheen David een deel van de buit zond na zijn overwinning op de Amalekieten (1 Samuël 30:30). De stad was een van de plaatsen waar David en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden verbleven.
Een stad ten oosten van de Jordaan, herbouwd door de stam Gad (Numeri 32:3,34). De stad lag in het gebied dat eerder toebehoorde aan koning Sihon van de Amorieten. Het werd onderdeel van het stamgebied van Gad in het Overjordaanse.
Een stad op de grens tussen het stamgebied van Efraïm en Benjamin (Jozua 16:2). De stad diende als grenspunt bij de verdeling van het land onder de stammen van Israël.
Een stad op de oostgrens van het stamgebied van Efraïm (Jozua 16:7). De stad wordt onderscheiden van de andere plaatsen met de naam Ataroth en lag meer naar het oosten, richting de Jordaanvallei.
Een stad op de grens tussen Efraïm en Benjamin, nabij Bethel (Jozua 16:5, 18:13). De naam betekent 'kronen van Addar'. De stad diende als belangrijk grenspunt bij de verdeling van het land tussen de twee stammen.
Een weg of route in de Negev-woestijn, waarlangs de koning van Arad de Israëlieten aanviel toen zij naderden vanuit de woestijn (Numeri 21:1). De naam wordt soms vertaald als 'de weg van de verspieders'.
De beroemde Griekse stadstaat en cultureel centrum, hoofdstad van de Romeinse provincie Achaje. Paulus bezocht Athene tijdens zijn tweede zendingsreis en was verontrust door de vele afgodsbeelden in de stad. Hij debatteerde met Epicureïsche en Stoïcijnse filosofen en hield zijn beroemde toespraak op de Areopagus over de 'onbekende god' (Handelingen 17:16-34). Ondanks het geringe aantal bekeerlingen was Paulus' optreden in Athene een mijlpaal in de ontmoeting tussen het evangelie en de Griekse filosofie.
Een nederzetting genoemd in het geslachtsregister van Juda, verbonden met de nakomelingen van Salma (Salmon), de vader van Bethlehem (1 Kronieken 2:54). De naam betekent 'kronen van het huis van Joab'.
Een stad ten oosten van de Jordaan, herbouwd door de stam Gad (Numeri 32:35). De stad maakte deel uit van het gebied dat door de stammen Gad en Ruben werd gekoloniseerd na de verovering van het Overjordaanse.
Een havenstad aan de zuidkust van Klein-Azië (het huidige Antalya in Turkije). Paulus en Barnabas scheepten zich hier in om terug te keren naar Antiochië in Syrië aan het einde van hun eerste zendingsreis, nadat zij het evangelie in de omliggende steden hadden verkondigd (Handelingen 14:25-26).
De hoofdstad van Hadad, zoon van Bedad, een van de vroege koningen van Edom die regeerden voordat er koningen over Israël heersten (Genesis 36:35, 1 Kronieken 1:46). Hadad versloeg Midjan op het veld van Moab.