Bergketen ten zuiden van de Dode Zee, het kerngebied van Edom. Ezau vestigde zich hier en zijn nakomelingen, de Edomieten, bewoonden het gebergte. De naam Seïr wordt vaak als synoniem voor Edom gebruikt. De profeet Ezechiël sprak een uitvoerig oordeel uit over het gebergte Seïr vanwege hun vijandschap tegen Israël.
Een berg op de grens van het stamgebied van Juda, nabij Chesalon en Kirjath-Jearim (Jozua 15:10). Niet te verwarren met het land Seïr van de Edomieten in het zuiden; deze berg Seïr lag in het centrale bergland.
Heilige berg in de woestijn van het Sinaï-schiereiland waar God Zich aan Mozes openbaarde in een brandend braambos en later de Tien Geboden en de wet gaf aan het volk Israël. Het verblijf van Israël bij de Sinaï duurde ongeveer een jaar, waarin de tabernakel werd gebouwd en het verbond met God werd gesloten. Ook bekend als Horeb.
Heuvel in Jeruzalem die oorspronkelijk verwees naar de Davidstad, maar later de tempelberg en bij uitbreiding heel Jeruzalem ging aanduiden. In de Psalmen bezongen als Gods heilige berg en woonplaats. De profeten voorzegden dat van de berg Sion de wet zou uitgaan en dat alle volken erheen zouden stromen. In Openbaring staat het Lam op de berg Sion.
Een opvallende kegelvormige berg in de Vlakte van Jizreël, op de grens van de stamgebieden Issaschar en Zebulon. Debora droeg Barak op om tienduizend man van Naftali en Zebulon op de Tabor te verzamelen voor de strijd tegen Sisera en zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens (Richteren 4:6-14). De overwinning die volgde wordt bezongen in het lied van Debora (Richteren 5). In de christelijke traditie wordt de berg geassocieerd met de verheerlijking van Jezus.
Een berg nabij Sichem waar Abimelech en zijn mannen takken kapten om de toren van Sichem in brand te steken, waarbij ongeveer duizend mannen en vrouwen omkwamen (Richteren 9:48). De naam betekent 'schaduwrijke berg'.
Een berg in het bergland van Efraïm waar koning Abia van Juda zijn toespraak hield tot Jerobeam en het noordelijke koninkrijk Israël, vlak voor een beslissende veldslag. Abia beschuldigde Jerobeam van afgoderij en riep op tot bekering. Ondanks de numerieke overmacht van Israël behaalde Juda de overwinning (2 Kronieken 13:4-20).
Een stad op de noordgrens van het toekomstige herstelde Israël, zoals beschreven in Ezechiëls visioen van de nieuwe grenzen van het land (Ezechiël 47:16). De stad lag tussen Damascus en Hamath.
Een stad van Hadadezer, koning van Zoba in Aram, waaruit David een grote hoeveelheid brons buitmaakte na zijn overwinning (2 Samuël 8:8). In 1 Kronieken 18:8 wordt de stad Kun genoemd. Het brons werd later door Salomo gebruikt voor de tempelinrichting.
Een belangrijke stad in de Negev-woestijn, aan de zuidgrens van het beloofde land. Berseba markeerde het zuidelijkste punt van het land in de uitdrukking 'van Dan tot Berseba' (Richteren 20:1). Abraham sloot hier een verbond met Abimelech en plantte een tamarisk (Genesis 21:31-33). Isaak ontving hier een godsverschijning (Genesis 26:23-25). Jakob vertrok vanuit Berseba naar Egypte (Genesis 46:1). Elia vluchtte hierheen voor Izebel (1 Koningen 19:3). De naam betekent 'put van de eed' of 'put van zeven'.
De woestijn rond Berseba, het droge gebied in het zuiden van het beloofde land. Hagar dwaalde hier rond nadat zij met Ismaël was weggestuurd door Abraham, totdat God haar ogen opende voor een waterbron (Genesis 21:14-19). Abraham woonde langere tijd in dit gebied en plantte hier een tamarisk als teken van zijn verbond met God.
Een wadi (seizoensrivier) in de Negev-woestijn, ten zuiden van Ziklag. Toen David de Amalekieten achtervolgde die Ziklag hadden geplunderd, bleven tweehonderd van zijn mannen bij de beek Besor achter omdat zij te uitgeput waren om verder te trekken. Na de overwinning stelde David de regel in dat de buit gelijk verdeeld zou worden tussen strijders en achterblijvers (1 Samuël 30:9-25).
Vertrouwen, een stad die toebehoorde aan Hadadezer, koning van Soba, die veel buit aan koper opleverde voor David (2 Samuël 8:8). In 1 Kronieken 18:8 wordt het Tibchat genoemd.
Een stad in het stamgebied van Aser (Jozua 19:25), gelegen in het noordwesten van het beloofde land. De stad werd aan Aser toegewezen bij de verdeling van het land.
Een versterkte stad in het stamgebied van Naftali (Jozua 19:38). De stam Naftali slaagde er niet in de Kanaänitische bewoners te verdrijven, maar maakte hen wel schatplichtig (Richteren 1:33). De naam betekent 'huis van Anath' en verwijst naar de Kanaänitische oorlogsgodin.
Een stad in het bergland van Juda (Jozua 15:59), gelegen in de buurt van Hebron. De naam betekent 'huis van Anoth' en verwijst mogelijk naar een Kanaänitisch heiligdom dat hier ooit stond.
Een stad op de grens tussen Juda en Benjamin, gelegen in de Jordaanvallei (de Arabah). De stad wordt zowel bij Juda (Jozua 15:6,61) als bij Benjamin (Jozua 18:18,22) genoemd, wat wijst op de ligging precies op de stamgrens. De naam betekent 'huis van de vlakte'.
Een stad in het noordelijke koninkrijk Israël, door de profeet Hosea genoemd als voorbeeld van de verschrikkingen van de oorlog. Hosea vergelijkt de verwoesting die Israël te wachten staat met de vernietiging van Beth-Arbel door Salman (Hosea 10:14). De exacte historische gebeurtenis en locatie zijn onzeker.
Een stad in het stamgebied van Juda, bewoond door families van linnenwerkens uit het geslacht van Sela, zoon van Juda (1 Kronieken 4:21). De stad was een centrum van linnenproductie in het oude Israël.
Een plaats ten oosten van Betel, in het stamgebied van Benjamin. De naam betekent 'huis van onheil'. Bij Beth-Aven legerden de Filistijnen zich voor hun strijd tegen Saul (1 Samuël 13:5), en hier behaalde Jonatan een overwinning op hen (1 Samuël 14:23). De stad lag dicht bij Ai (Jozua 7:2).
Een scheldnaam die de profeet Hosea gebruikt voor Bethel ('huis van God'), dat hij Beth-Aven ('huis van onheil' of 'huis van afgoden') noemt vanwege de kalverendienst die Jerobeam I daar had ingesteld. Hosea waarschuwt dat de kalveren van Beth-Aven naar Assyrië weggevoerd zullen worden (Hosea 10:5) en verbiedt Juda om er heen te gaan (Hosea 4:15).
Een doorwaadbare plaats in de Jordaan waar Gideon de Efraïmieten opdroeg de Midianieten de pas af te snijden. De Efraïmieten bezetten de doorwaadbare plaatsen tot aan Beth-Bara en vingen twee Midianitische vorsten, Oreb en Zeëb (Richteren 7:24).
Een plaats tot waar de Israëlieten de Filistijnen achtervolgden na de overwinning bij Mizpa, toen Samuël een steen oprichtte en die Eben-Haëzer noemde (1 Samuël 7:11). De naam betekent 'huis van het lam'.
Een stad in het laagland van Juda (Jozua 15:41). De naam betekent 'huis van Dagon' en verwijst naar een heiligdom van de Filistijnse god Dagon dat hier waarschijnlijk ooit stond.
Een stad op de grens van het stamgebied van Aser, nabij Zebulon (Jozua 19:27). Evenals Beth-Dagon 1 verwijst de naam naar de Filistijnse god Dagon, wat duidt op Filistijnse invloed in dit kustgebied.
Een stad in Moab, genoemd in Jeremia's profetie over het oordeel dat Moab zal treffen (Jeremia 48:22). Waarschijnlijk dezelfde plaats als Almon-Diblathaïm, een legerplaats tijdens de woestijnreis van Israël.
Een gebied of koninkrijk in Aram (Syrië), waarover de profeet Amos het oordeel aankondigt. God zal de grendel van Damascus verbreken en de scepter uit Beth-Eden wegnemen (Amos 1:5). De naam betekent 'huis van Eden' of 'huis van weelde'. Mogelijk te identificeren met Bit-Adini, een Aramees koninkrijk aan de Eufraat.
Een herdersverzamelplaats ('scheerplaats') op de weg van Jizreël naar Samaria, waar Jehu de tweeënveertig broers van koning Ahazia van Juda ontmoette en doodde als onderdeel van zijn gewelddadige machtsovername (2 Koningen 10:12-14). De naam betekent 'huis van de binding' of 'scheerplaats'.
Een stad in het laagland van Juda, genoemd door de profeet Micha in zijn klaagzang over de steden die door de Assyrische invasie zullen worden getroffen. Het geween van Beth-Ezel zal zijn steun wegnemen (Micha 1:11). De naam betekent 'huis naast' of 'naburig huis'.
Een stad in het stamgebied van Juda, behoord bij de nakomelingen van Kaleb via Salma (1 Kronieken 2:51). Hareph was de vader (stichter) van Beth-Gader. De stad lag waarschijnlijk in het bergland van Juda.
Een stad in Moab, genoemd in Jeremia's profetie over het oordeel dat Moab zou treffen (Jeremia 48:23). De stad maakte deel uit van een reeks Moabitische steden die door Gods oordeel verwoest zouden worden.
Een nederzetting nabij Gilgal, van waaruit zangers kwamen die deelnamen aan de inwijding van de herbouwde muur van Jeruzalem onder Nehemia (Nehemia 12:29). De stad lag waarschijnlijk in de buurt van Jericho, in de Jordaanvallei.
Een stad in het bergland van Juda, ten zuiden van Jeruzalem. Malkia, zoon van Rechab, was overste van het district Beth-Haccherem en herstelde de Mestpoort bij de herbouw van de muur (Nehemia 3:14). Jeremia noemt de stad als signaalplaats: men moest er vuurseinen ontsteken om voor het naderende gevaar uit het noorden te waarschuwen (Jeremia 6:1). Waarschijnlijk het huidige Ramat Rachel.
Een stad op de weg van Jizreël naar het zuiden, waar koning Ahazia van Juda vluchtte nadat hij door Jehu was verwond. Ahazia stierf bij Megiddo (2 Koningen 9:27). De naam betekent 'huis van de tuin' en wordt geïdentificeerd met het huidige Jenin.
Een stad in het stamgebied van Gad, ten oosten van de Jordaan (Numeri 32:36, Jozua 13:27). De stad werd door de Gadieten gebouwd als versterkte stad met schaapskooien in het vruchtbare Overjordaanse weideland.
Een stad op de grens van de stamgebieden Juda en Benjamin, in de Jordaanvallei nabij de noordoever van de Dode Zee (Jozua 15:6, 18:19-21). De naam betekent 'huis van de patrijs'.
Een strategisch belangrijke tweelingstad (Boven- en Beneden-Beth-Horon) in een bergpas op de weg van Jeruzalem naar de kustvlakte. Jozua achtervolgde de verslagen Amorieten door de pas van Beth-Horon, terwijl God hagelstenen op hen wierp (Jozua 10:10-11). De pas was het toneel van vele veldslagen door de eeuwen heen. De stad werd als levitische stad aan Efraïm toegewezen (Jozua 21:22).
Een stad in de vlakte van Moab, aan de noordoostelijke oever van de Dode Zee. De stad markeerde het uiterste punt van het Israëlitische kamp in de vlakten van Moab (Numeri 33:49) en behoorde eerder tot het koninkrijk van Sihon (Jozua 12:3). Ezechiël noemt de stad als onderdeel van het oordeel over Moab (Ezechiël 25:9).