Een plaats nabij Enon, waar Johannes de Doper doopte. 'Johannes doopte ook in Enon, dicht bij Salim, omdat daar veel water was' (Johannes 3:23). De exacte locatie is onzeker — mogelijk in de Jordaanvallei of in Samaria.
Een landstreek in het bergland van Efraïm, waardoor Saul trok op zoek naar de ezelinnen. 'Hij trok door het land Sjalisa en vond ze niet' (1 Samuël 9:4). Waarschijnlijk het gebied rond Baäl-Salisa (2 Koningen 4:42).
Een kaap aan de noordoostkust van Kreta. Het schip waarop Paulus als gevangene reisde, voer met moeite langs kaap Salmone: 'Wij voeren onder Kreta door, ter hoogte van Salmone' (Handelingen 27:7).
Het centrale bergland van Israël tussen Galilea in het noorden en Judea in het zuiden. Na de val van het noordelijke koninkrijk in 722 v.Chr. vermengden de achtergebleven Israëlieten zich met door de Assyriërs aangevoerde volken, wat leidde tot de Samaritanen. In het Nieuwe Testament was er grote vijandschap tussen Joden en Samaritanen. Jezus doorbrak dit door de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
Hoofdstad van het noordelijke koninkrijk Israël, gesticht door koning Omri op een heuvel in het centrale bergland. Bekend om wijdverbreide afgoderij onder koningen als Achab en Izebel. De stad werd in 722 v.Chr. veroverd door de Assyriërs, waarna buitenlandse volken er werden gevestigd. In het Nieuwe Testament bezocht Jezus de Samaritaanse vrouw bij de bron.
Een Grieks eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Klein-Azië. Paulus deed Samos aan op zijn derde zendingsreis, op terugreis naar Jeruzalem: 'De volgende dag kwamen wij tegenover Chios; de dag daarna staken wij over naar Samos' (Handelingen 20:15).
Een eiland in het noordelijke deel van de Egeïsche Zee. Paulus voer langs Samothrake op zijn reis naar Macedonië, na het visioen van de Macedonische man: 'Wij voeren van Troas rechtstreeks naar Samothrake' (Handelingen 16:11).
Een stad in de Romeinse provincie Asia (het huidige westelijke Turkije), een van de zeven gemeenten in Openbaring. De gemeente van Sardes ontving een scherpe berisping: 'U hebt de naam dat u leeft, maar u bent dood' (Openbaring 3:1). Toch waren er enkelen in Sardes 'die hun kleding niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleding, want zij zijn het waard' (Openbaring 3:4). Sardes was de oude hoofdstad van Lydië en beroemd om zijn rijkdom (koning Croesus).
Een stad op de grens van het stamgebied van Zebulon (Jozua 19:10,12). De stad lag aan de zuidelijke grens van het stamgebied en diende als referentiepunt voor de grensbeschrijving.
Een vlakte, een laaggelegen strook die zich uitstrekt van de Middellandse Zee tot het heuvelland ten westen van Jeruzalem, ongeveer 48 km lang en 13 tot 24 km breed, beroemd om haar schoonheid en vruchtbaarheid (1 Kronieken 27:29; Jesaja 33:9; 35:2; 65:10). De 'roos van Saron' is befaamd (Hooglied 2:1). In Jozua 12:18 wordt het Lasharon genoemd.
Een stad in het stamgebied van Simeon (Jozua 19:6). De stad lag in het zuiden van het beloofde land, in de Negev. Waarschijnlijk dezelfde als Saaraïm of Silhim.
Ook wel Saälbim, 'plaats van vossen', een stad van de stam Dan (Jozua 19:42; Richteren 1:35). Het was een van de belangrijkste steden waaruit Salomo zijn voorraden betrok (1 Koningen 4:9). Waarschijnlijk het huidige dorp Selbit, ongeveer 5 km ten noorden van Ajalon.
Een stad in het stamgebied van Dan (Jozua 19:42). De Amorieten drongen de Danieten terug naar het bergland en lieten hen niet in de vlakte neerdalen, maar bleven in Saälbim wonen, totdat het huis van Jozef hen schatplichtig maakte (Richteren 1:35). De stad lag in het tweede bestuursdistrict van Salomo (1 Koningen 4:9).
Een poort bij de tempel in Jeruzalem, aan de westzijde. De Schallechetpoort was 'bij de oplopende weg' en de poortwachtersdienst werd er verdeeld door David (1 Kronieken 26:16). De naam betekent mogelijk 'uitwerping' of 'afval', wat kan duiden op een poort waardoor afval van de tempeloffers werd afgevoerd.
Het koninkrijk van Scheba (Saba), in het zuiden van Arabië (het huidige Jemen). De koningin van Scheba bezocht Salomo om zijn wijsheid te toetsen en was overweldigd: 'De helft is mij niet aangezegd!' (1 Koningen 10:1-13). Scheba was beroemd om goud, wierook en specerijen. De psalmist profeteert: 'De koningen van Scheba en Seba zullen geschenken aanbieden' (Psalm 72:10). Ezechiël noemt Scheba als handelspartner van Tyrus (Ezechiël 27:22). Jezus verwees naar de koningin van het Zuiden die zou opstaan in het oordeel (Matteüs 12:42).
Een stad in het stamgebied van Simeon (Jozua 19:2). De stad lag in het zuiden van het beloofde land, onderscheiden van het koninkrijk Scheba in Arabië.
Alleen in Lucas 23:33 voorkomend, de Latijnse naam Calvaria, die werd gebruikt als vertaling van het Griekse woord Kranion, waarmee het Hebreeuwse woord Gulgoleth werd vertaald: 'de plaats van een schedel'. Het ontleende waarschijnlijk zijn naam aan de vorm: een heuvel of lage, afgeronde, kale verhoging die enigszins de vorm van een menselijke schedel had. Het wordt nergens in de Schrift een 'heuvel' genoemd. De kruisiging van onze Heer vond plaats buiten de stadsmuren (Hebreeën 13:11-13) en nabij de openbare weg.
De Zee van Riet (Rode Zee), waar God de wateren spleet zodat de Israëlieten op het droge konden oversteken. Het Egyptische leger dat hen achtervolgde werd door de terugkerende wateren verzwolgen (Ex 14:21-28). Na de doortocht sloegen zij hier hun kamp op (Num 33:10).
Een poort van Jeruzalem, ook de Potschervenpoort genoemd. Jeremia moest op Gods bevel een aarden kruik kopen en die bij de ingang van de Schervenpoort stukslaan als teken van het oordeel over Jeruzalem: 'Ga naar het dal Ben-Hinnom, dat bij de ingang van de Schervenpoort is' (Jeremia 19:2). De poort lag aan de zuidoostelijke kant van de stad.
Een haven aan de zuidkust van Kreta, waar het schip van Paulus een tijdlang aanlegde op weg naar Rome. De meesten oordeelden dat de haven ongeschikt was om te overwinteren, en besloten door te varen naar Fenix — een beslissing die leidde tot de zware storm en uiteindelijke schipbreuk bij Malta (Handelingen 27:8-12).
Een poort van de tempel in Jeruzalem, waar Petrus en Johannes de kreupele man genazen. De man zat dagelijks bij de tempelpoort genaamd de Schone Poort om aalmoezen te vragen. Petrus zei: 'Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en wandel!' (Handelingen 3:2-8). De man sprong op en liep de tempel in, wat grote verwondering veroorzaakte.
Een bergpas aan de zuidgrens van het beloofde land, ook bekend als de Schorpioenenpas. De naam verwijst naar de vele schorpioenen die in dit woestijngebied voorkwamen. De pas vormde een belangrijke grensmarkering tussen het stamgebied van Juda en het land van Edom (Numeri 34:4, Jozua 15:3).
Scythië, het uitgestrekte nomadengebied ten noorden van de Zwarte Zee en Kaspische Zee (het huidige Oekraïne en Centraal-Azië). De Scythen stonden bekend als woeste, onbeschaafde nomaden. Paulus schrijft dat in Christus de oude scheidslijnen wegvallen: 'Daarin is geen Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije, maar Christus is alles en in allen' (Kolossenzen 3:11).
De naam van een land en volk (Jesaja 43:3; 45:14), genoemd samen met Egypte en Ethiopië, en daarom waarschijnlijk gelegen in noordoost-Afrika. De oude naam van Meroë. De koningen van Scheba en Seba worden samen genoemd in Psalm 72:10.
Een stad nabij Rama waar Saul naar David en Samuël vroeg. 'Hij ging daarheen naar Naioth in Rama. En hij vroeg en zei: Waar zijn Samuël en David? En men zei: Zij zijn in Naioth bij Rama' (1 Samuël 19:22). De stad lag op de route tussen Gibea en Rama.
Een plaats aan de noordoostgrens van het beloofde land, bij het Meer van Kinnereth (Numeri 34:10-11). Sefam markeerde een punt op de ideale grens van het land aan de oostzijde.
Een berggebied in het oosten, het uiterste punt van het woongebied van de zonen van Joktan. 'Hun woongebied strekte zich uit van Mesha tot Sefar, het gebergte in het oosten' (Genesis 10:30). De exacte locatie is onbekend, maar het lag waarschijnlijk in het zuiden van Arabië.
Een onbekend land waarheen Joodse ballingen werden gedeporteerd. Obadja profeteert: 'De ballingen van Jeruzalem die in Sefarad zijn, zullen de steden van het Zuiderland in bezit nemen' (Obadja 1:20). De locatie is onzeker — traditioneel geïdentificeerd met Spanje (vandaar 'Sefardische Joden'), maar ook Sardis in Klein-Azië en Sjaparda in Medië zijn voorgesteld.
Een stad in Mesopotamië waarvan bewoners door de Assyrische koning naar Samaria werden gedeporteerd na de val van het noordelijke koninkrijk. De Sefarvieten 'verbrandden hun kinderen voor Adrammelech en Anammelech, de goden van Sefarvaïm' (2 Koningen 17:24,31). De Assyrische generaal Rabsaké spotte: 'Hebben de goden van Sefarvaïm, Hena en Ivva Samaria gered?' (2 Koningen 18:34). De stad lag waarschijnlijk aan de Eufraat in Syrië.
Een bergachtig, bosrijk gebied in het stamgebied van Efraïm. Na het doden van de Moabitische koning Eglon vluchtte Ehud naar Seïra in het bergland van Efraïm, waar hij op de bazuin blies om de Israëlieten te verzamelen voor de strijd tegen Moab (Richteren 3:26-27).
Een stad op het grondgebied van de Amorieten, op de grens met Edom (Richteren 1:36). Koning Amazja van Juda veroverde Sela en doodde tienduizend Edomieten door hen van de rots af te werpen (2 Kronieken 25:12). De naam betekent 'rots'. Mogelijk hetzelfde als Petra.
Een stad in Edom, veroverd door Amazja van Juda, die haar hernoemde tot Joktheël (2 Koningen 14:7). Jesaja roept de inwoners van Sela op om God te loven: 'Laten de inwoners van Sela juichen, van de top van de bergen jubelen' (Jesaja 42:11). Waarschijnlijk dezelfde als het latere Petra in Jordanië.
Een stad in Edom of Moab, vermeld in Jesaja's profetie over Moab. De Moabieten wordt geadviseerd: 'Zend de lammeren voor de heerser van het land, van Sela door de woestijn naar de berg van de dochter Sion' (Jesaja 16:1). De stad diende als referentiepunt in het woestijngebied.
De havenstad Seleucia Pieria aan de Syrische kust, nabij Antiochië in Syrië. Van hieruit vertrokken Paulus en Barnabas op hun eerste zendingsreis: 'Zij dan, uitgezonden door de Heilige Geest, vertrokken naar Seleucia en voeren vandaar naar Cyprus' (Handelingen 13:4). De stad diende als haven voor het nabijgelegen Antiochië.
Een plaats nabij Mizpa, waar Samuël een gedenksteen oprichtte na de overwinning op de Filistijnen. 'Samuël nam een steen en plaatste die tussen Mizpa en Sen, en noemde hem Eben-Haëzer: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen' (1 Samuël 7:12).
Een stad waarvan een groot aantal inwoners terugkeerde uit de Babylonische ballingschap — drieduizend negenhonderddertig man (Ezra 2:35, Nehemia 7:38). De inwoners van Senaä herbouwden de Vispoort bij de muurbouw onder Nehemia (Nehemia 3:3). De stad lag waarschijnlijk nabij Jericho.
Een van twee steile rotspunten (samen met Bozes) in de bergpas bij Michmas, waartussen Jonathan en zijn wapendrager klommen om de Filistijnse wachtpost aan te vallen. 'De ene rotspunt heette Bozes en de andere Seneh' (1 Samuël 14:4). De naam Seneh betekent 'doornstruik'. Jonathans geloofsdaad leidde tot paniek in het Filistijnse leger en een grote overwinning voor Israël.
De Amoritische naam voor de berg Hermon (Deuteronomium 3:9). De halve stam Manasse woonde 'van Basan tot Baäl-Hermon en Senir en de berg Hermon' (1 Kronieken 5:23). In Hooglied roept de bruidegom de bruid: 'Kom bij mij van de Libanon af, van de top van de Senir en de Hermon' (Hooglied 4:8). Ezechiël vermeldt dat cipreshout van Senir werd gebruikt voor de scheepsbouw van Tyrus (Ezechiël 27:5).