Een poort van de tempel in Jeruzalem. Bij de verdeling van de poortwachtersdiensten door David werd de Noordpoort aan Salemja (Messelemja) toegewezen (1 Kronieken 26:14).
Een legerplaats van de Israëlieten tijdens hun woestijnreis, na het vertrek van de berg Hor waar Aäron was gestorven (Numeri 21:10-11, 33:43-44). Oboth lag in de Arabah, op de route rond Edom.
Een versterkte heuvelrug in Jeruzalem, ten zuiden van de tempelberg. Jotham bouwde veel aan de muur van de Ofel (2 Kronieken 27:3). Manasse omringde de Ofel met een zeer hoge muur (2 Kronieken 33:14). Na de ballingschap woonden de tempelknechten op de Ofel en hielpen bij de herbouw van de muur (Nehemia 3:26-27, 11:21).
Een legendarisch goudland waarvandaan Salomo's vloot grote rijkdommen haalde. De schepen van Salomo brachten uit Ofir vierhonderdtwintig talenten goud, samen met sandelhout en edelstenen (1 Koningen 9:28, 10:11). David had al goud uit Ofir opzijgelegd voor de tempelbouw (1 Kronieken 29:4). Josafat probeerde de handel te hervatten, maar zijn schepen vergingen bij Ezeon-Geber (1 Koningen 22:48). De exacte locatie is onzeker — theorieën variëren van India, Arabië tot Oost-Afrika.
De berg ten oosten van Jeruzalem, gescheiden van de stad door het Kidrondal. David beklom wenend de Olijfberg toen hij vluchtte voor Absalom (2 Samuël 15:30). Salomo bouwde er offerhoogten voor de goden van zijn buitenlandse vrouwen (1 Koningen 11:7). Ezechiël zag de heerlijkheid des HEEREN de tempel verlaten en op de Olijfberg stilhouden (Ezechiël 11:23). Jezus hield er Zijn rede over de laatste dingen (Matteüs 24-25), bad in Gethsemane aan de voet ervan, en voer ten hemel vanaf de Olijfberg (Handelingen 1:9-12). Zacharia profeteert dat de Olijfberg bij de wederkomst in tweeën zal splijten (Zacharia 14:4).
Een stad in het stamgebied van Benjamin, gesticht door Semed (1 Kronieken 8:12). Na de ballingschap keerden inwoners van Lod, Hadid en Ono terug (Ezra 2:33, Nehemia 7:37, 11:35). Sanballat probeerde Nehemia naar het dal van Ono te lokken om hem kwaad te doen, maar Nehemia doorzag het complot: 'Ik doe een groot werk, ik kan niet afkomen' (Nehemia 6:2-4).
Het plein aan de oostzijde van de tempel in Jeruzalem. Koning Hizkia verzamelde de priesters en Levieten op het Oostplein bij het begin van zijn tempelreiniging: 'Luister naar mij, Levieten! Heilig u nu en heilig het huis van de HEERE' (2 Kronieken 29:4-5).
Een poort aan de oostzijde van de tempel in Jeruzalem. De poortwachtersdienst bij de Oostpoort werd verdeeld door David (1 Kronieken 26:14). Kore, de zoon van Jimna, was opziener over de vrijwillige gaven bij de Oostpoort (2 Kronieken 31:14). Ezechiël zag bij de Oostpoort vijfentwintig mannen die de zon aanbaden, en de heerlijkheid des HEEREN vertrok via deze poort (Ezechiël 11:1,23). Nehemia vermeldt herbouwwerkzaamheden bij de Oostpoort (Nehemia 3:29).
Een stad in het stamgebied van Benjamin (Jozua 18:23). Een van de Filistijnse plundertroepen trok richting Ofra toen zij vanuit Michmas het land verwoestten (1 Samuël 13:17). De stad lag ten noorden van Michmas.
Een stad in het stamgebied van Manasse, de woonplaats van Gideon uit het geslacht van Abiëzer. Hier verscheen de Engel des HEEREN aan Gideon onder de terebint en riep hem tot richter (Richteren 6:11-24). Gideon bouwde er een altaar genaamd 'De HEERE is vrede'. Na zijn overwinning op de Midianieten maakte Gideon helaas een efod van het gouden buit en plaatste die in Ofra, waar het een valstrik werd voor Israël (Richteren 8:27). Gideon werd in Ofra begraven (Richteren 8:32). Zijn zoon Abimelech doodde hier zeventig van zijn broers op één steen; alleen Jotham ontsnapte (Richteren 9:5).
Een poort in de muur van Jeruzalem, ook de Jesana-poort genoemd. Jojada en Mesullam herstelden de Oude Poort bij de herbouw onder Nehemia (Nehemia 3:6). Bij de inwijding van de muur trok een van de dankkoren langs de Oude Poort (Nehemia 12:39).
Een waterreservoir in Jeruzalem. Jesaja verwijt de inwoners van Jeruzalem dat zij weliswaar de huizen telden en de muur versterkten, maar 'een verzamelplaats maakten tussen de twee muren voor het water van de Oude Vijver' zonder op God te letten (Jesaja 22:11). De Oude Vijver was een waterbron voor de stad.
Het noordwestelijke deel van Mesopotamië, ook Aram-Naharaïm of 'het veld van Aram' genoemd. Het is het stamland van de aartsvaders. Rebekka, Isaaks vrouw, was de dochter van Betuël de Arameeër uit Paddan-Aram (Genesis 25:20). Jakob vluchtte naar Paddan-Aram, naar zijn oom Laban, waar hij veertien jaar werkte voor Rachel en Lea en een groot gezin stichtte (Genesis 28:2-7, 35:9,26). Het gebied lag rond Haran in het huidige zuidoostelijke Turkije.
Een havenstad op het westelijke uiteinde van Cyprus. Paulus en Barnabas doorkruisten het hele eiland tot aan Paphos op hun eerste zendingsreis. Hier troffen zij de tovenaar Bar-Jezus (Elymas) bij de proconsul Sergius Paulus. Paulus bestrafte de tovenaar met blindheid, waarna de proconsul tot geloof kwam (Handelingen 13:6-12).
De hoofdstad van koning Hadad (Hadar), de laatste vermelde koning van Edom die regeerde voordat Israël een koning had. 'De naam van zijn stad was Paü' (Genesis 36:39, 1 Kronieken 1:50). Ook Paï genoemd.
Een kustprovincie in het zuiden van Klein-Azië (het huidige Turkije). Op de Pinksterdag waren er Joden uit Pamfylië in Jeruzalem (Handelingen 2:10). Paulus en Barnabas kwamen in Pamfylië aan bij Perge op hun eerste zendingsreis; hier verliet Johannes Marcus hen (Handelingen 13:13, 15:38). Op hun terugreis predikten zij het Woord in Perge (Handelingen 14:24-25).
Een uitgestrekte woestijn in het zuiden van het beloofde land, tussen de Sinaï en Kades-Barnea. Ismaël woonde in de woestijn van Paran (Genesis 21:21). De Israëlieten legerden zich in de woestijn van Paran na het vertrek van de Sinaï (Numeri 10:12, 12:16). Vanuit Paran werden de twaalf verspieders uitgezonden (Numeri 13:3,26). David trok naar de woestijn van Paran na de dood van Samuël (1 Samuël 25:1). Mozes verwees naar Paran in zijn inleiding op Deuteronomium (Deuteronomium 1:1). Habakuk zingt: 'God kwam van Teman, de Heilige van het gebergte Paran' (Habakuk 3:3).
Een bijgebouw of galerij aan de westzijde van de tempel in Jeruzalem. Bij de verdeling van poortwachtersdiensten werden er bij het Parbar aan de westzijde vier bij de weg en twee bij het Parbar geplaatst (1 Kronieken 26:18). De exacte functie van het Parbar is onzeker.
Een onbekend land of gebied vanwaar het goud voor de tempel van Salomo werd gehaald. 'Hij overdekte het huis met kostbaar goud, goud van Parvaïm' (2 Kronieken 3:6). De locatie is onzeker — suggesties variëren van Arabië tot India.
Een havenstad aan de zuidkust van Klein-Azië, in Lycië (het huidige Turkije). Op zijn terugreis naar Jeruzalem voer Paulus van Rhodos naar Patara, waar hij een schip vond dat naar Fenicië overstak (Handelingen 21:1-2).
Opper-Egypte, het zuidelijke deel van Egypte (het Nijldal ten zuiden van het huidige Caïro). Joodse vluchtelingen vestigden zich na de val van Jeruzalem in Pathros en andere Egyptische plaatsen (Jeremia 44:1,15). Ezechiël profeteert dat de Egyptenaren uit de volken teruggebracht zullen worden naar Pathros, 'het land van hun herkomst, en daar zullen zij een gering koninkrijk zijn' (Ezechiël 29:14). Jesaja profeteert dat God Zijn volk voor de tweede keer zal terugbrengen uit onder andere Pathros (Jesaja 11:11).
Een klein rotsachtig eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Klein-Azië. De apostel Johannes was op Patmos verbannen 'om het Woord van God en om het getuigenis van Jezus Christus' (Openbaring 1:9). Hier ontving hij op de dag des Heeren het visioen dat werd opgetekend als het boek Openbaring, met de brieven aan de zeven gemeenten en de profetische gezichten over de eindtijd.
Het was gebruikelijk dat Romeinse stadhouders hun rechterstoel in de open lucht plaatsten, zoals op de markt, het circus of zelfs de heerweg. Pilatus liet zijn rechterstoel neerzetten op een plek die 'het Plaveisel' werd genoemd (Johannes 19:13), d.w.z. een plaats geplaveid met een mozaïek van gekleurde stenen. Het was waarschijnlijk een aldus voorbereide plek voor het rechthuis.
Een volk of gebied in het oosten van Mesopotamië, nabij Babylonië. Jeremia noemt Pekod samen met Merataïm in zijn profetie over het oordeel over Babel: 'Trek op tegen het land Merataïm en tegen de inwoners van Pekod' (Jeremia 50:21). Ezechiël noemt Pekod als een van de volken die God tegen Jeruzalem zal opwekken (Ezechiël 23:23). Pekod wordt geïdentificeerd met de Pukudu, een Aramese stam bij Babylonië.
Een stad ten oosten van de Jordaan, aan de Jabbok, waar Jakob de hele nacht worstelde met God. Na deze worsteling ontving hij de naam Israël en noemde de plaats Pniël: 'Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered' (Genesis 32:30-31). Later weigerde de stad Pnuël Gideon brood te geven tijdens zijn achtervolging van de Midianitische koningen; na zijn overwinning brak Gideon de toren van Pnuël af en doodde de mannen van de stad (Richteren 8:8-9,17). Jerobeam herbouwde Pnuël (1 Koningen 12:25).
De plaats waar Uzza stierf toen hij de ark van het verbond aanraakte. David vervoerde de ark op een nieuwe wagen vanuit Kirjath-Jearim, maar de runderen struikelden en Uzza stak zijn hand uit naar de ark. 'De toorn van de HEERE ontbrandde tegen Uzza, en God sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid' (2 Samuël 6:7-8). David noemde de plaats Perez-Uzza ('doorbraak van Uzza'). Dit incident vervulde David met ontzag en hij durfde de ark niet meer naar Jeruzalem te brengen (1 Kronieken 13:11).
Een stad in de Romeinse provincie Asia (het huidige westelijke Turkije), een van de zeven gemeenten aan wie het boek Openbaring is gericht. Christus zegt tot Pergamum: 'Ik weet waar u woont: daar waar de troon van de satan is' (Openbaring 2:13). De gemeente wordt geprezen om haar trouw ondanks het martelaarschap van Antipas, maar berispt vanwege de leer van Bileam en de Nikolaïeten (Openbaring 2:12-17). Pergamum was beroemd om zijn bibliotheek, de Asklepios-tempel en het grote Zeus-altaar.
Een stad in Pamfylië aan de zuidkust van Klein-Azië (het huidige Turkije). Paulus en Barnabas kwamen in Perge aan op hun eerste zendingsreis; hier verliet Johannes Marcus hen en keerde terug naar Jeruzalem (Handelingen 13:13-14). Op hun terugreis predikten zij het Woord in Perge voordat zij naar Attalia afdaalden (Handelingen 14:25). De stad had een beroemde Artemistempel.
Groot rijk in het huidige Iran, dat onder Cyrus de Grote in 539 v.Chr. het Babylonische Rijk veroverde. Cyrus vaardigde het edict uit dat de Joden toestond terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Het boek Ester speelt zich af aan het Perzische hof. Daniël diende onder Perzische koningen. Het rijk duurde tot de verovering door Alexander de Grote in 330 v.Chr.
Een stad aan de Eufraat in Mesopotamië, de woonplaats van de profeet Bileam, zoon van Beor. Balak, koning van Moab, zond boden naar 'Pethor, dat bij de Eufraat ligt, in het land van de kinderen van zijn volk' om Bileam te ontbieden om Israël te vervloeken (Numeri 22:5, Deuteronomium 23:4). Pethor lag waarschijnlijk nabij het huidige Sajur in het noorden van Syrië.
Het kustgebied langs de Middellandse Zee in het huidige Libanon, het thuisland van de Feniciërs. De beroemde handelssteden Tyrus en Sidon lagen in Fenicië. Jezus trok zich terug in het gebied van Tyrus en Sidon, waar Hij de Syro-Fenicische vrouw ontmoette wier dochter Hij genas (Marcus 7:26). Na de vervolging bij Stefanus' dood verspreidden gelovigen zich tot in Fenicië (Handelingen 11:19). Paulus reisde meerdere malen door Fenicië (Handelingen 15:3, 21:2).
Een haven op de zuidwestkust van Kreta. De schipper van het schip waarop Paulus reisde, wilde de haven van Schone Havens verlaten om te overwinteren in Phoenix, 'een haven op Kreta die open lag naar het zuidwesten en noordwesten' (Handelingen 27:12). Het plan mislukte toen een zware noordoosterstorm het schip greep.
Een stad in Neder-Egypte, het Griekse Bubastis, centrum van de godin Bastet. Ezechiël profeteert: 'De jongemannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen en de steden zullen in gevangenschap gaan' (Ezechiël 30:17). De stad lag aan de oostelijke Nijlarm.
Een plaats in Egypte bij de Rode Zee waar de Israëlieten zich legerden vlak voor de doortocht. God beval Mozes: 'Zeg tegen de Israëlieten dat zij terugkeren en zich legeren voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee, voor Baäl-Zefon' (Exodus 14:2). De farao dacht dat Israël verdwaald was en achtervolgde hen naar deze plaats, waar God de zee spleet (Exodus 14:9, Numeri 33:7-8).
Legerplaats tussen Migdol en de Schelfzee, tegenover Baäl-Zefon (Ex 14:2). Hier werden de Israëlieten ingehaald door het Egyptische leger. God beval hen terug te keren naar deze plek om de farao in de val te lokken (Num 33:7).
Genoemd in Ezechiël 30:17, verondersteld 'een kat' te betekenen, of een godheid in de vorm van een kat, vereerd door de Egyptenaren. Door de Grieken Bubastis genoemd. De hiëroglifische naam is 'Pe-bast', d.w.z. het huis van Bast, de Artemis van de Egyptenaren. De stad Bubastis lag aan de Pelusische (meest oostelijke) tak van de Nijldelta. Het was de zetel van een van de belangrijkste jaarlijkse Egyptische feesten. De ruïnes dragen de moderne naam Tel-Basta.
Een stad in het bergland van Efraïm. Hier woonde en werd begraven de richter Abdon, zoon van Hillel, die Israël acht jaar richtte en veertig zonen en dertig kleinzonen had die op zeventig ezelveulens reden (Richteren 12:13-15). Verscheidene van Davids helden kwamen uit Pirathon: Benaja de Pirathoniet was bevelhebber van de elfde legerdivisie (1 Kronieken 27:14, 2 Samuël 23:30).
Een bergketen ten oosten van de Jordaan, het noordelijke uiteinde van het Abarimgebergte, tegenover Jericho. Balak nam Bileam mee naar het veld van de Zofim, op de top van de Pisga, om Israël te vervloeken (Numeri 23:14). Mozes mocht het beloofde land overzien vanaf de top van de Pisga: 'Klim naar de top van de Pisga en sla uw ogen op naar het westen, het noorden, het zuiden en het oosten, en zie het met uw ogen, want u zult deze Jordaan niet oversteken' (Deuteronomium 3:27). Vanaf de Pisga stierf Mozes met het land in zicht (Deuteronomium 34:1).
Een van de vier rivieren die uit de hof van Eden stroomden. 'De naam van de eerste rivier is Pison; die stroomt rondom heel het land Havila, waar het goud is' (Genesis 2:11). De exacte locatie is onbekend; de rivier wordt geassocieerd met een goudrijk land.