Het Heilige der Heiligen in de tempel van Salomo, het binnenste heiligdom waar de ark van het verbond stond. De ruimte was een perfecte kubus van twintig el (1 Koningen 6:16-20), geheel met goud overtrokken. Salomo plaatste er twee cherubs van olijfhout, elk tien el hoog (1 Koningen 6:23-28). Het werd van het Heilige gescheiden door een voorhang en deuren van olijfhout. Alleen de hogepriester mocht het Heilige der Heiligen betreden, eenmaal per jaar op de Grote Verzoendag.
Een havenstad aan de zuidkust van Klein-Azië, in de Romeinse provincie Lycië (het huidige Demre in Turkije). De centurio Julius vond hier een Alexandrijns schip dat naar Italië voer en liet Paulus en de andere gevangenen overstappen voor de reis naar Rome (Handelingen 27:5-6).
Een landstreek in het noordwesten van Klein-Azië (het huidige Turkije). Paulus en zijn metgezellen trokken door Mysië op hun tweede zendingsreis, maar de Geest verhinderde hen om in de provincie Asia te prediken. 'Toen zij bij Mysië gekomen waren, probeerden zij naar Bithynië te reizen, maar de Geest liet het hun niet toe. Zij reisden door Mysië en kwamen in Troas' (Handelingen 16:7-8), waar Paulus het Macedonische visioen ontving.
Een stad in het laagland van Juda (Jozua 15:41). De stad lag in de Sjefela. Niet te verwarren met Naäma, de vrouw van Lamech of de Ammonitische vrouw van Salomo.
De stad of streek van herkomst van Zofar de Naämathiet, een van de drie vrienden van Job die hem kwamen bezoeken in zijn lijden (Job 2:11). Zofar hield twee toespraken tot Job (Job 11, 20) en was aanwezig bij Jobs herstel (Job 42:9). De exacte locatie van Naäma is onbekend, maar het lag waarschijnlijk in het noordwesten van Arabië.
Een levitische stad in het stamgebied van Zebulon (Jozua 19:15, 21:35). De Zebulonieten verdreven de Kanaänitische inwoners van Nahalal niet, maar maakten hen schatplichtig (Richteren 1:30). Ook Nahalol genoemd.
Een legerplaats van de Israëlieten tijdens hun omtrekking van Moab, tussen Mattanah en Bamoth: 'Van Mattanah naar Nahaliel, van Nahaliel naar Bamoth' (Numeri 21:19). De naam betekent 'dal van God' of 'beek van God'.
De stad van Nachor, Abrahams broer, in Aram-Naharaïm (Mesopotamië). Abrahams dienaar Eliëzer reisde naar de stad van Nachor om een vrouw voor Isaak te vinden. Bij de bron ontmoette hij Rebekka, die water kwam putten (Genesis 24:10-27). De stad wordt geïdentificeerd met het huidige Tell Fekheriye bij Haran in het noorden van Syrië.
Een profetengemeenschap bij Rama in Benjamin, waar Samuël aan het hoofd stond. David vluchtte naar Samuël in Naioth nadat hij aan Sauls moordaanslag was ontsnapt (1 Samuël 19:18-19). Saul zond driemaal boden om David te grijpen, maar telkens vielen zij in profetische extase. Toen Saul zelf ging, overkwam hem hetzelfde en hij profeteerde naakt voor Samuël (1 Samuël 19:19-24).
Het kustgebied van Dor, aan de Middellandse Zee in het stamgebied van Manasse. De stad Dor en haar onderhorige plaatsen behoorden tot de 'heuvels van Dor' (Naphoth-Dor). Ben-Abinadab, Salomo's schoonzoon, was districtsbestuurder over heel Naphoth-Dor (1 Koningen 4:11). De koning van Naphoth-Dor wordt vermeld in de lijst van door Jozua verslagen koningen (Jozua 12:23).
Klein dorp in de heuvels van Beneden-Galilea waar Jezus opgroeide. Maria ontving hier de aankondiging van de engel Gabriël. Het dorp had een geringe reputatie ('Kan uit Nazareth iets goeds komen?'). Jezus werd afgewezen door de inwoners toen Hij in hun synagoge predikte. De naam 'Nazarener' werd een aanduiding voor Jezus en later voor Zijn volgelingen.
Een stad op de grens van het stamgebied van Efraïm (Jozua 16:7). De stad lag aan de oostelijke grens, richting de Jordaanvallei. Waarschijnlijk dezelfde als Naäran.
Een stad in het stamgebied van Efraïm (1 Kronieken 7:28). De stad lag aan de oostelijke grens van het stamgebied. Waarschijnlijk dezelfde als Naära (Jozua 16:7).
Een stad in Galilea, ten zuidoosten van Nazareth. Hier wekte Jezus de enige zoon van een weduwe op uit de dood. Toen de lijkstoet de stadspoort uitkwam, had Jezus innerlijke ontferming over de weduwe en zei: 'Jongeman, Ik zeg u, sta op!' De dode ging overeind zitten en begon te spreken (Lucas 7:11-17). Het wonder deed denken aan de opwekkingen door Elia en Elisa.
Een havenstad in Macedonië (het huidige Kavala in Griekenland), de eerste Europese stad die Paulus bereikte. 'Wij voeren van Troas rechtstreeks naar Samothrake, en de volgende dag naar Neapolis' (Handelingen 16:11). Van Neapolis reisde Paulus verder naar Filippi, de eerste Europese stad waar hij het evangelie predikte.
Een stad ten oosten van de Jordaan, herbouwd door de stam Ruben (Numeri 32:3,38). Niet te verwarren met de berg Nebo. De stad lag op het Moabitische plateau en wordt later weer aan Moab verbonden. Jesaja profeteert: 'Over Nebo en over Medeba zal Moab huilen' (Jesaja 15:2). De inwoner Bela, zoon van Azaz, wordt vermeld als een Rubeniet die tot Aroër woonde (1 Kronieken 5:8).
Een stad in Juda waarvan de inwoners terugkeerden uit de Babylonische ballingschap. Tweeënvijftig mannen van de 'andere Nebo' worden in de lijst van teruggekeerden vermeld (Ezra 2:29, Nehemia 7:33). De stad lag waarschijnlijk in het gebied van Benjamin.
Een Israëlitische familie of clan waarvan leden gemengde huwelijken met buitenlandse vrouwen hadden gesloten. Bij Ezra's hervormingen moesten zij hun vreemde vrouwen wegzenden (Ezra 10:43). Onder hen waren Jeïel, Mattithja, Zabad, Zebina en Jaddai.
De bron van Neftoach, op de grens tussen de stamgebieden van Juda en Benjamin (Jozua 15:9, 18:15). De bron lag ten noordwesten van Jeruzalem. De naam wordt soms verbonden met het Egyptische Merneptah.
De herkomstplaats van de valse profeet Semaja de Nehelamiet, die vanuit Babel brieven naar Jeruzalem stuurde om de priester Zefanja op te zetten tegen Jeremia. God oordeelde: 'Ik zal Semaja de Nehelamiet en zijn nageslacht straffen; niemand van hen zal onder dit volk wonen' (Jeremia 29:24-32).
Een stad in het stamgebied van Juda waar pottenbakkers woonden die in dienst van de koning werkten: 'Zij woonden daar bij de koning, in zijn dienst' (1 Kronieken 4:23). De naam betekent 'planten' of 'tuinen'.
Een stad in Juda, ten zuiden van Bethlehem. Verscheidene van Davids helden kwamen uit Netofa, waaronder Maharai en Heleb (Heled) (2 Samuël 23:28-29, 1 Kronieken 11:30). Heldai de Netofathiet was bevelhebber van Davids twaalfde legerdivisie (1 Kronieken 27:13). Na de ballingschap keerden zangers en poortwachters uit Netofa terug (1 Kronieken 9:16, Nehemia 12:28).
Een stad in de woestijn van Juda (Jozua 15:62). De stad lag in het onherbergzame gebied tussen het bergland en de Dode Zee, samen met Middin en de Zoutstad.
Een poort van de tempel in Jeruzalem. De vorsten van Juda namen zitting in de Nieuwe Poort van het huis des HEEREN toen Jeremia's profetieën werden voorgelezen (Jeremia 26:10). In de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, bij de Nieuwe Poort, las Baruch de woorden van Jeremia voor aan het volk (Jeremia 36:10).
De grote rivier van Egypte, levensader van het land. In de Bijbel het toneel van de wondertekenen van Mozes, toen God het water in bloed veranderde als eerste plaag. De baby Mozes werd in een biezen mandje in de Nijl gelegd en gevonden door de dochter van de farao. De profeten gebruikten de Nijl als symbool voor Egyptes macht en trots.
Een stad waar Paulus de winter wilde doorbrengen. Hij schreef aan Titus: 'Doe uw best om naar mij toe te komen in Nicopolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen' (Titus 3:12). Waarschijnlijk Nicopolis in Epirus (het huidige Griekenland), gesticht door keizer Augustus ter herinnering aan zijn overwinning bij Actium.
De wateren (beek) van Nimrim in Moab, genoemd in profetieën over Moabs verwoesting. Jesaja profeteert: 'De wateren van Nimrim zullen een woestenij worden' (Jesaja 15:6). Jeremia herhaalt: 'De wateren van Nimrim zullen tot verwoesting worden' (Jeremia 48:34). De beek lag waarschijnlijk in het zuiden van Moab.
Het land van Nimrod, een poëtische naam voor Assyrië/Mesopotamië. Micha profeteert: 'Zij zullen het land van Assyrië weiden met het zwaard, en het land van Nimrod in zijn poorten' (Micha 5:5). Nimrod, de achterkleinzoon van Noach, was de stichter van grote steden in Mesopotamië (Genesis 10:8-12).
De hoofdstad van het Assyrische Rijk, gelegen aan de Tigris in het huidige noordelijke Irak (bij Mosul). Nimrod stichtte Ninevé (Genesis 10:11). God zond Jona om tegen Ninevé te prediken; de stad bekeerde zich en werd gespaard (Jona 3). De profeet Nahum profeteerde later de definitieve ondergang van Ninevé vanwege haar geweld en wreedheid (Nahum 1-3). In 612 v.Chr. viel Ninevé door een coalitie van Babyloniërs en Meden. Sanherib werd in de tempel van zijn god in Ninevé door zijn eigen zonen vermoord (2 Koningen 19:36-37). Jezus verwees naar de bekering van Ninevé als teken voor Zijn generatie (Matteüs 12:41).
De oude Egyptische hoofdstad Thebe (het bijbelse No of No-Amon), gelegen aan de Nijl in Opper-Egypte (het huidige Luxor). Jeremia profeteert: 'Ik zal Amon van No straffen en de farao en Egypte' (Jeremia 46:25). Ezechiël voorzegt het oordeel: 'Ik zal een einde maken aan de menigte van No' (Ezechiël 30:14-16). Nahum gebruikt de val van Thebe als waarschuwing voor Ninevé: 'Bent u beter dan No-Amon, dat aan de rivieren lag?' (Nahum 3:8). De stad werd in 663 v.Chr. door de Assyriërs geplunderd.
Een priesterstad in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. David vluchtte naar de priester Achimelech in Nob, die hem het toonbrood gaf en het zwaard van Goliath (1 Samuël 21:1-9). Doëg de Edomiet verried dit aan Saul, waarna Saul alle priesters van Nob liet ombrengen — vijfentachtig mannen die de linnen efod droegen. De hele stad werd met de ban geslagen (1 Samuël 22:9-19). Alleen Abjathar ontsnapte en vluchtte naar David. Jesaja vermeldt Nob als laatste halteplaats van de Assyrische opmars naar Jeruzalem (Jesaja 10:32).
De oorspronkelijke naam van Kenath, veroverd door Nobah uit de stam Manasse. 'Nobah trok heen en veroverde Kenath en de bijbehorende plaatsen, en noemde ze Nobah, naar zijn eigen naam' (Numeri 32:42). De stad lag in het Overjordaanse, in Gilead.
Een stad in het Overjordaanse die vermeld wordt op de route van Gideons achtervolging van de Midianitische koningen Zebah en Zalmunna. Gideon trok op 'langs de weg van de tentbewoners, ten oosten van Nobah en Jogbeha' (Richteren 8:11).
Een stad ten oosten van de Jordaan, verwoest door de Israëlieten bij hun verovering van het Amoritische koninkrijk van Sihon: 'Wij verwoestten tot Nofah, dat tot Medeba reikt' (Numeri 21:30). De stad lag op het Moabitische plateau.