Een Filistijnse stad of gebied dat door David werd veroverd. 'David versloeg de Filistijnen en onderwierp hen. David nam Metheg-Amma uit de hand van de Filistijnen' (2 Samuël 8:1). De naam betekent 'de teugel van de moederstad' en verwijst waarschijnlijk naar Gath, de belangrijkste Filistijnse stad.
Een stad in het stamgebied van Benjamin, ten noordoosten van Jeruzalem. De Filistijnen legerden zich met drieduizend strijdwagens bij Michmas (1 Samuël 13:5). Jonathan en zijn wapendrager beklommen in geloof de bergpas van Michmas en versloegen de Filistijnse wachtpost, waarna paniek uitbrak in het Filistijnse leger (1 Samuël 13:23-14:15). Jesaja beschrijft in zijn profetie de Assyrische opmars: 'Hij legt zijn wapentuig neer in Michmas' (Jesaja 10:28). Na de ballingschap werd Michmas opnieuw bewoond (Ezra 2:27, Nehemia 7:31).
Een bergrug op de grens tussen de stamgebieden van Efraïm en Manasse (Jozua 16:6, 17:7). De grens liep van Michmethath naar het oosten, richting Taänath-Silo.
Een poort van Jeruzalem waar de Babylonische bevelhebbers plaatsnamen na de doorbraak van de stadsmuur. 'Alle vorsten van de koning van Babel kwamen en namen plaats in de Middenpoort' (Jeremia 39:3). Onder hen waren Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu en Sarsechim.
Woestijngebied ten oosten van de Golf van Akaba, bewoond door de Midjanieten. Mozes woonde hier veertig jaar als herder bij zijn schoonvader Jetro voordat God hem riep bij het brandende braambos. De Midjanieten onderdrukten later Israël totdat de richter Gideon hen met een klein leger versloeg.
Een Egyptische grensvestiging nabij de Rode Zee. God beval de Israëlieten zich te legeren 'voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee' (Exodus 14:2, Numeri 33:7). Hier haalde het Egyptische leger de Israëlieten in vlak voor de wonderbare doortocht door de Rode Zee.
Een stad in het noorden van Egypte waar Joodse vluchtelingen zich vestigden na de val van Jeruzalem. Jeremia richtte zijn profetie tot de Joden 'die in het land Egypte woonden, in Migdol, Tachpanhes, Nof en het land Pathros' (Jeremia 44:1). Hij riep hen op om in Migdol en Memphis de naderende invasie van Nebukadnezar te verkondigen (Jeremia 46:14).
Een plaats in Egypte die de noordelijke grens van het land aanduidt. Ezechiël profeteert dat Egypte verwoest zal worden 'van Migdol tot Syene, tot aan de grens van Ethiopië' (Ezechiël 29:10, 30:6). Migdol tot Syene omspant heel Egypte van noord tot zuid.
Een plaats nabij Gibea van Benjamin waar koning Saul zich bevond met zeshonderd man onder een granaatappelboom, terwijl Jonathan zijn aanval op de Filistijnse wachtpost bij Michmas ondernam (1 Samuël 14:2). De stad lag ten noorden van Jeruzalem.
Een plaats ten noorden van Jeruzalem, genoemd in Jesaja's profetische beschrijving van de Assyrische opmars naar Jeruzalem: 'Hij komt naar Ajath, trekt door Migron' (Jesaja 10:28). Mogelijk dezelfde als Migron 1, of een nabijgelegen locatie op de route vanuit het noorden.
Een belangrijke havenstad aan de westkust van Klein-Azië (het huidige Turkije). Op zijn terugreis naar Jeruzalem riep Paulus vanuit Milete de oudsten van de gemeente van Efeze bij zich voor een indringend afscheidswoord, waarin hij hen waarschuwde voor valse leraars: 'Grimmige wolven zullen bij u binnenkomen die de kudde niet sparen' (Handelingen 20:17-38). Paulus liet later de zieke Trofimus achter in Milete (2 Timotheüs 4:20).
Een vestingwerk of terras in Jeruzalem, oorspronkelijk een deel van de Jebusitische versterking. David bouwde rondom vanaf de Millo naar binnen (2 Samuël 5:9, 1 Kronieken 11:8). Salomo herbouwde en versterkte de Millo als onderdeel van zijn grote bouwprojecten (1 Koningen 9:15,24, 11:27). Koning Joas van Juda werd vermoord 'in Beth-Millo' (2 Koningen 12:20). De Millo was waarschijnlijk een opgehoogd terras dat de Davidstad met de tempelberg verbond.
Een koninkrijk in het Ararat-gebied (het huidige oostelijke Turkije/Armenië). Jeremia roept het op samen met Ararat en Askenaz om tegen Babel op te trekken: 'Roep de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz tegen haar op!' (Jeremia 51:27). Het Minni-volk wordt geïdentificeerd met de Manneërs, een volk ten zuiden van het Urmia-meer.
Een Ammonitische stad ten oosten van de Jordaan. Jefta versloeg de Ammonieten 'van Aroër tot in de omgeving van Minnith, twintig steden, en tot Abel-Keramim' (Richteren 11:33). Ezechiël vermeldt dat Minnith tarwe exporteerde naar Tyrus (Ezechiël 27:17), wat wijst op de vruchtbaarheid van het gebied.
Een levitische stad in het stamgebied van Aser, toegewezen aan de Gersonieten (Jozua 19:26, 21:30, 1 Kronieken 6:74). De stad lag in het noordwestelijke kustgebied van het beloofde land.
Een stad of versterking in Moab, genoemd in Jeremia's profetie over het oordeel over Moab: 'Nebo is beschaamd, want het is verwoest. Kirjathaïm is beschaamd, ingenomen; Misgab is beschaamd en ontsteld' (Jeremia 48:1). De naam betekent 'vesting' of 'hoogte'.
Verbranding van wateren; vermoedelijk zoutpannen, kalkovens of glasfabrieken. Een plaats waarheen Jozua een groep Kanaanieten achtervolgde na de nederlaag van Jabin (Jozua 11:8). Het wordt geidentificeerd met de ruine Musheirifeh, bij het voorgebergte van en-Nakhurah, ongeveer 18 km ten noorden van Akko.
Een kustplaats in het noorden van het beloofde land, nabij Sidon. Jozua achtervolgde de verslagen noordelijke Kanaänitische coalitie 'tot Groot-Sidon en Misrefoth-Maïm' (Jozua 11:8). Het gebied werd vermeld als nog niet veroverd land (Jozua 13:6). De naam betekent 'hete bronnen' of 'kalkovens'.
De hoofdstad van het eiland Lesbos in de Egeïsche Zee. Paulus deed Mitylene aan op zijn terugreis van zijn derde zendingsreis, op weg naar Jeruzalem (Handelingen 20:14). De stad was een belangrijk cultureel centrum in de Griekse wereld.
Een stad in Gilead, ten oosten van de Jordaan, waar de Israëlieten zich verzamelden in tijden van crisis. Het volk verzamelde zich bij Mizpa in Gilead tegen de Ammonieten (Richteren 10:17). Jefta werd hier als aanvoerder gekozen en deed zijn gelofte (Richteren 11:11,29,34). Hosea verwijt de priesters: 'Want u bent een strik geworden voor Mizpa' (Hosea 5:1). Onderscheiden van Mizpa in Benjamin.
Een streek aan de voet van de Hermon, ook het dal van Mizpa genoemd. De Hevieten van de Hermon woonden 'in het land van Mizpa' (Jozua 11:3). Het gebied lag in het uiterste noorden van het beloofde land.
Stad in het stamgebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Een belangrijke vergaderplaats waar de stammen van Israël bijeenkwamen in tijden van crisis. Samuël riep hier het volk bijeen voor gebed en leidde hen tot overwinning op de Filistijnen. Na de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar werd Mizpa tijdelijk het bestuurlijke centrum onder Gedalja.
De steenhoop die Jakob en Laban oprichtten als getuige van hun verbond bij hun scheiding. Laban noemde het in het Aramees Jegar-Sahadutha, en Jakob in het Hebreeuws Gal-Ed (steenhoop der getuigenis). 'De HEERE houdt de wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkaars aangezicht verborgen zijn' (Genesis 31:47-49). De naam Mizpa betekent 'wachttoren'.
Een stad in Moab waar David zijn ouders in veiligheid bracht tijdens zijn vlucht voor Saul. 'David ging van daar naar Mizpe in Moab en zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en moeder toch bij u verblijven' (1 Samuël 22:3). Davids overgrootmoeder Ruth was een Moabitische, wat deze connectie verklaart.
Hoogvlakte ten oosten van de Dode Zee in het huidige Jordanië. Genoemd naar Moab, zoon van Lot en zijn oudste dochter. De Moabieten waren veelal vijanden van Israël, hoewel Ruth de Moabitische een voorouder van koning David werd. Mozes stierf op de berg Nebo in Moab. Meerdere profeten kondigden het oordeel over Moab aan.
De vlakten (steppen) van Moab aan de oostelijke oever van de Jordaan, tegenover Jericho. Hier verzamelde Israël zich voordat zij de Jordaan overstaken om het beloofde land in te gaan. In deze vlakten hield Mozes de volkstelling (Numeri 26:3,63), ontving hij Gods laatste instructies, sprak hij zijn afscheidsredes (Deuteronomium), en stierf hij op de berg Nebo (Deuteronomium 34). Hier ook probeerde Balak Israël te laten vervloeken door Bileam (Numeri 22:1).
Een stad in het zuiden van het stamgebied van Juda, later aan Simeon toegewezen (Jozua 15:26, 19:2, 1 Kronieken 4:28). Na de Babylonische ballingschap werd de stad opnieuw bewoond (Nehemia 11:26). De stad lag in de Negev.
Een poort in de muur van Jeruzalem, ook wel de Wachtpoort genoemd. Bij de herbouw van de muur onder Nehemia worden de werkzaamheden beschreven: 'tot aan de Monsterpoort en tot aan de Bovenzaal op de hoek' (Nehemia 3:31). De naam Mifkad (Monsterpoort) betekent 'inspectie' of 'telling'.
Waarschijnlijk identiek met de 'kleine Hermon', het huidige Jebel ed-Duhy, of misschien een van de lagere uitlopers van deze berg. Het is een grijze bergrug parallel aan Gilboa in het noorden; en tussen de twee lag het slagveld, de vlakte van Jizreel, waar Gideon de Midianieten versloeg (Richteren 7:1-12).
De eik (terebint) van More bij Sichem, de eerste plaats waar Abraham een altaar bouwde in het beloofde land. 'Abram trok het land door tot de plaats Sichem, tot de eik van More' (Genesis 12:6). Hier beloofde God hem: 'Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven.' Mozes vermeldt de eik van More bij Sichem als oriëntatiepunt 'tegenover Gilgal, bij de eiken van More' (Deuteronomium 11:30).
Een heuvel in de vlakte van Jizreël, tegenover de berg Gilboa. De Midianieten en Amalekieten legerden zich 'in het dal, ten noorden van de heuvel More' (Richteren 7:1). Vanaf de tegenoverliggende helling zond God Gideon met slechts driehonderd man om het enorme vijandelijke leger te verslaan.
Bezit van de wijnpers; de geboorteplaats van de profeet Micha (Micha 1:14), die de 'Morastiet' wordt genoemd (Jeremia 26:18). Deze plaats was waarschijnlijk een buitenwijk van Gath.
De geboorteplaats van de profeet Micha, gelegen in het laagland van Juda nabij Gath. Micha wordt geïdentificeerd als 'Micha de Morastiet' (Micha 1:1, Jeremia 26:18). Micha profeteert over zijn eigen geboortestad: 'Daarom zult u afscheidsgeschenken geven aan Morescheth-Gath' (Micha 1:14). De stad lag in het gebied dat door de Assyrische invasie bedreigd werd.
Een band; een van de pleisterplaatsen van de Israelieten in de woestijn (Deuteronomium 10:6), aan de voet van de berg Hor (vgl. Numeri 33:37-38). Het is geidentificeerd met el-Tayibeh, een kleine bron aan de voet van de pas die naar de top van de berg Hor leidt.
Een legerplaats van de Israëlieten tijdens hun woestijnreis (Numeri 33:30-31). Volgens Deuteronomium 10:6 stierf Aäron nabij Mosera (de enkelvoudsvorm) en werd daar begraven, en werd zijn zoon Eleazar priester in zijn plaats. Dit lijkt te conflicteren met Numeri 20 dat Aärons dood op de berg Hor plaatst, maar Mosera lag waarschijnlijk in de nabijheid van de berg Hor.