Van Richters naar Koningen — de overgang in Israël
Arjen Jilsink
KoningenRichters
Samenvatting
Een overzicht van de overgang van richters naar koningen in Israël: het patroon in de richtertijd, de roep om een koning, het verenigde koninkrijk onder Saul, David en Salomo, en de scheuring in Noord (Israël) en Zuid (Juda).
Na de intocht in Kanaän leefde Israël zonder centrale leider. God regeerde via richters — bevrijders die God stuurde wanneer het volk in nood was door vijandige volken. Dit patroon herhaalt zich steeds in Richteren:
Israël verlaat God
God geeft hen over aan een volk
Israël roept tot God
God stuurt een richter die bevrijdt
Rust — totdat de richter sterft en het begint van voor af aan
De richters waren geen dynastieke heersers. Hun gezag was tijdelijk en charismatisch — gegeven door de Geest van God.
De druk op verandering
Aan het einde van de richtertijd was er chaos. Eli faalde als priester-richter, zijn zonen waren goddeloos. Samuel was de laatste grote richter, maar zijn zonen namen steekpenningen aan. Het volk zag ook hoe omringende volken georganiseerd waren onder koningen.
In 1 Samuël 8 vragen de oudsten aan Samuel: "Stel een koning over ons aan om ons te leiden, zoals alle volken." Dit was tegelijk een politieke wens én een afwijzing van Gods koningschap — God zegt dit expliciet tegen Samuel.
Het verenigde koninkrijk (ca. 1050–930 v.Chr.)
God gaf hen een koning, maar onder voorwaarden (Deuteronomium 17). Drie koningen regeerden over het verenigde volk:
Saul — groot van gestalte, maar ongehoorzaam. Verworpen door God.
David — naar Gods hart. Grondlegger van de davidische lijn en het verbond.
Salomo — wijs en bouwer van de tempel, maar zijn hart week af door zijn vele vrouwen en hij diende andere goden.
De scheuring (930 v.Chr.)
Na Salomo's dood vroeg het volk aan zijn zoon Rehabeam om het juk te verlichten. Hij weigerde. De tien noordelijke stammen scheidden zich af onder Jerobeam I — dit was Gods oordeel over Salomo's afval, maar ook de vervulling van een profetie.
Vanaf dat moment:
Noord (Israël, 10 stammen) — 19 koningen, geen enkele goed. Jerobeam zette gouden kalveren op in Betel en Dan. Het koninkrijk eindigde in 722 v.Chr. met de Assyrische ballingschap.
Zuid (Juda, 2 stammen) — 20 heersers, enkelen goed (Asa, Josafat, Hizkia, Josia). De davidische lijn bleef intact. Het koninkrijk eindigde in 586 v.Chr. met de Babylonische ballingschap.
Patroon in de koningentijd
Net als bij de richters is er een terugkerend patroon, nu beoordeeld per koning: "Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE" of "Hij deed wat recht was in de ogen van de HEERE." De beoordeling hangt af van trouw aan God en het weren van afgoderij.
2Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
Gen 26:34
34Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beeri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
Gen 35:8
8En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.
Gen 36:37
37En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
Gen 46:13
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
Gen 48:1
1Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim!
Ex 6:23
23 En Aaron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
Num 25:14
14De naam nu des verslagenen Israelietischen mans, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis der Simeonieten.
Num 34:20
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
Deut 3:12
12Ditzelfde land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroer af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.
Joz 15:1
1En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;
Recht 3:15
15Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen Israels zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten.
Recht 3:31
31Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook Israel.
Recht 6:11
11Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.
Recht 11:1
1Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; doch Gilead had Jeftha gegenereerd.
Recht 12:8
8En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.
Recht 12:13
13En na hem richtte Israel Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.
Recht 13:24
24Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de HEERE zegende het.
Ruth 4:17
17En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isai, Davids vader.
1 Sam 1:3
3Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren den HEERE der heirscharen te Silo; en aldaar waren priesters des HEEREN, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli.
1 Sam 8:2
2De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joel, en de naam van zijn tweeden was Abia; zij waren richters te Ber-seba.
2 Sam 5:13
13En David nam meer bijwijven, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochteren geboren.
2 Sam 8:10
10Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot den koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
2 Sam 8:15
15Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.
1 Kon 4:18
18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.
1 Kon 11:26
26Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.
1 Kon 11:40
40Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
1 Kon 13:2
2En hij riep tegen het altaar, door het woord des HEEREN, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, een zoon zal aan het huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
1 Kon 15:16
16En er was krijg tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.
1 Kon 16:1
1Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa, zeggende:
1 Kon 16:16
16Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israel ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israel, in het leger.
1 Kon 16:29
29En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israel, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israel, te Samaria, twee en twintig jaren.
1 Kon 22:11
11En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriers stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.
1 Kon 22:26
26De koning van Israel nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;
1 Kon 22:40
40Alzo ontsliep Achab met zijn vaderen; en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.
2 Kon 8:16
16In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israel, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, den koning van Juda, te regeren.
2 Kon 12:21
21Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad Davids; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
2 Kon 14:23
23In het vijftiende jaar van Amazia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israel, en regeerde een en veertig jaren.
2 Kon 15:8-10
8In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden. 10En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
2 Kon 15:22-23
22Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats. 23In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.
2 Kon 15:30
30En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
2 Kon 15:38
38En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.
2 Kon 16:20
20En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
2 Kon 23:31-34
31Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 34Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.
2 Kon 24:8
8Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.
1 Kron 6:24
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
1 Kron 9:16
16En Obadja, de zoon van Semaja, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.
Mat 1:9
9En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;