1 Koningen 15
In het achttiende jaar nu van den , den zoon van , werd koning over .
Hij regeerde drie jaren te ; en de naam zijner moeder was , een dochter van .
En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
Maar om Davids wil, gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in , verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende .
Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van , den Hethiet.
En er was krijg geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al de dagen zijns levens.
Het overige nu der geschiedenissen van , en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van ? Er was ook krijg tussen en tussen Jerobeam.
En ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en , zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
In het twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning over .
En hij regeerde een en veertig jaren te , en de naam zijner moeder was Maacha, een dochter van Abisalom.
En deed wat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David.
Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.
Ja, zelfs zijn moeder Maacha zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek .
De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van volkomen met den HEERE, al zijn dagen.
En hij bracht in het huis des HEEREN de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en vaten.
En er was krijg tussen en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.
Want Baesa, de koning van Israel, toog op tegen , en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot , den koning van .
Toen nam al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand zijner knechten; en de koning zond ze tot , den zoon van , den zoon van , den koning van Syrie, die te woonde, zeggende:
Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baesa, den koning van Israel, dat hij aftrekke van tegen mij.
En hoorde naar den koning , en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg , en , en