2 Koningen 15
In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning , de zoon van , den koning van .
Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te ; en de naam zijner moeder was , van .
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader gedaan had.
Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch , de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
Het overige nu der geschiedenissen van , en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van ?
En ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon werd koning in zijn plaats.
In het acht en dertigste jaar van , den koning van , regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van , die Israel zondigen deed.
En Sallum, de zoon van , maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.
Sallum, de zoon van , werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van ; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
Want Menahem, de zoon van , toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van , te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.
Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
In het negen en dertigste jaar van , den koning van , werd Menahem, den zoon van , koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van , die Israel zondigen deed.
Toen kwam , de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.
In het vijftigste jaar van , den koning van , werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van , die Israel zondigen deed.
En Pekah, de zoon van , zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met en met , en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.
Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
In het twee en vijftigste jaar van , den koning van , werd Pekah, de zoon van , koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van , die Israel zondigen deed.
In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Tiglath-, de koning van Assyrie, en nam in, en Abel-, en , en Kedes, en Hazor, en Gilead, en , het ganse land van ; en hij voerde hen weg naar Assyrie.
En Hosea, de zoon van , maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van , en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van , den zoon van Uzzia.
Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
In het tweede jaar van Pekah, den zoon van , den koning van Israel, werd koning, de zoon van Uzzia, den koning van .
Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te ; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van .
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.
Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
Het overige nu der geschiedenissen van , en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van ?
In die dagen begon de HEERE in te zenden , den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van .
En ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon werd koning in zijn plaats.