Omschrijving
Een Kanaänitische koninklijke stad (Jozua 12:24) die later de eerste hoofdstad van het noordelijke koninkrijk Israël werd. Jerobeams vrouw ging naar Tirza om de profeet Ahia te raadplegen over hun zieke zoon (1 Koningen 14:17). De stad bleef hoofdstad onder Baësa, Ela en Zimri, die zich in het paleis verbrandde toen Omri de stad belegerde (1 Koningen 16:15-18). Omri verplaatste de hoofdstad naar het nieuw gebouwde Samaria (1 Koningen 16:23-24). Tirza stond bekend om haar schoonheid — de bruidegom in Hooglied vergelijkt zijn bruid met Tirza (Hooglied 6:4).
Kaart
Personen
Historische gebeurtenissen
Bijbelverzen
Joz 12:24
24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
1 Kon 14:17
17Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op den dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
1 Kon 15:21
21En het geschiedde, als Baesa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza.
1 Kon 15:33
33In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baesa, de zoon van Ahia, koning over gans Israel, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
1 Kon 16:6-9
6En Baesa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats. 8In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baesa, koning over Israel, te Thirza, en regeerde twee jaren. 9En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagenen, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza;
1 Kon 16:15-17
15In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is. 17En Omri toog op, en gans Israel met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.
1 Kon 16:23
23In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.
2 Kon 15:14-16
14Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. 16Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
Hoogl 6:4
4Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.