Naphtali

Naam

Alternatieve spelling Nephthalim

Familie

Vader Israel
Moeder Bilha
Broers & zussen Ben-oni Dan Naftali
Geboortejaar
Leeftijd
Voorouders
22
generaties
Nakomelingen

Gen 30:8 Staten Vertaling (SV)

8Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.

Gen 35:25 Staten Vertaling (SV)

25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.

Gen 46:24 Staten Vertaling (SV)

24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.

Gen 49:21 Staten Vertaling (SV)

21Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

Ex 1:4 Staten Vertaling (SV)

4Dan en Nafthali, Gad en Aser.

Num 1:15 Staten Vertaling (SV)

15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.

Num 1:42-43 Staten Vertaling (SV)

42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.

Num 2:29 Staten Vertaling (SV)

29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.

Num 7:78 Staten Vertaling (SV)

78Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.

Num 10:27 Staten Vertaling (SV)

27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.

Num 13:14 Staten Vertaling (SV)

14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

Num 26:48-50 Staten Vertaling (SV)

48De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;

50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.

Num 34:28 Staten Vertaling (SV)

28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.

Deut 27:13 Staten Vertaling (SV)

13En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.

Deut 33:23 Staten Vertaling (SV)

23En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.

Deut 34:2 Staten Vertaling (SV)

2En het ganse Nafthali, en het land van Efraim en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de achterste zee;

Joz 19:32 Staten Vertaling (SV)

32Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.

Joz 19:39 Staten Vertaling (SV)

39Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.

Joz 20:7 Staten Vertaling (SV)

7Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraim, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.

Joz 21:6 Staten Vertaling (SV)

6En aan den kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.

Joz 21:32 Staten Vertaling (SV)

32En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.

Recht 1:33 Staten Vertaling (SV)

33Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.

Recht 4:6 Staten Vertaling (SV)

6En zij zond heen en riep Barak, den zoon van Abinoam, van Kedes-Nafthali; en zij zeide tot hem: Heeft de HEERE, de God Israels, niet geboden: Ga heen en trek op den berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?

Recht 4:10 Staten Vertaling (SV)

10Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.

Recht 5:18 Staten Vertaling (SV)

18Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.

Recht 6:35 Staten Vertaling (SV)

35Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.

Recht 7:23 Staten Vertaling (SV)

23Toen werden de mannen van Israel bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.

1 Kon 4:15 Staten Vertaling (SV)

15Ahimaaz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, ter vrouwe.

1 Kon 7:14 Staten Vertaling (SV)

14Hij was de zoon ener weduwvrouw, uit den stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den koning Salomo, en maakte al zijn werk.

1 Kon 15:20 Staten Vertaling (SV)

20En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het ganse Cinneroth, met het ganse land Nafthali.

2 Kon 15:29 Staten Vertaling (SV)

29In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.

1 Kron 2:2 Staten Vertaling (SV)

2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.

1 Kron 6:62 Staten Vertaling (SV)

62En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.

1 Kron 6:76 Staten Vertaling (SV)

76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.

1 Kron 7:13 Staten Vertaling (SV)

13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.

1 Kron 12:34 Staten Vertaling (SV)

34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

1 Kron 12:40 Staten Vertaling (SV)

40En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel.

1 Kron 27:19 Staten Vertaling (SV)

19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

2 Kron 16:4 Staten Vertaling (SV)

4En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maim, en alle schatsteden van Nafthali.

2 Kron 34:6 Staten Vertaling (SV)

6Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,

Ps 68:27 Staten Vertaling (SV)

27Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel!

Jes 9:1 Staten Vertaling (SV)

1 Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen.

Ez 48:3-4 Staten Vertaling (SV)

3En aan de landpale van Aser, van den oosterhoek af tot den westerhoek toe, Nafthali een.

4En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse een.

Ez 48:34 Staten Vertaling (SV)

34De westerhoek, vier duizend en vijfhonderd; derzelver poorten drie: een poort van Gad, een poort van Aser, een poort van Nafthali.

Mat 4:13-15 Staten Vertaling (SV)

13En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;

15Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken;

Bijbelverzen

Gen 30:8
8Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.
Gen 35:25
25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
Gen 46:24
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
Gen 49:21
21Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.
Ex 1:4
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
Num 1:15
15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
Num 1:42-43
42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, 43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Num 2:29
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
Num 7:78
78Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
Num 10:27
27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
Num 13:14
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
Num 26:48-50
48De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten; 50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
Num 34:28
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
Deut 27:13
13En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.
Deut 33:23
23En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.
Deut 34:2
2En het ganse Nafthali, en het land van Efraim en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de achterste zee;
Joz 19:32
32Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.
Joz 19:39
39Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
Joz 20:7
7Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraim, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.
Joz 21:6
6En aan den kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.
Joz 21:32
32En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.
Recht 1:33
33Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.
Recht 4:6
6En zij zond heen en riep Barak, den zoon van Abinoam, van Kedes-Nafthali; en zij zeide tot hem: Heeft de HEERE, de God Israels, niet geboden: Ga heen en trek op den berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
Recht 4:10
10Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.
Recht 5:18
18Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.
Recht 6:35
35Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.
Recht 7:23
23Toen werden de mannen van Israel bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.
1 Kon 4:15
15Ahimaaz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, ter vrouwe.
1 Kon 7:14
14Hij was de zoon ener weduwvrouw, uit den stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den koning Salomo, en maakte al zijn werk.
1 Kon 15:20
20En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het ganse Cinneroth, met het ganse land Nafthali.
2 Kon 15:29
29In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.
1 Kron 2:2
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
1 Kron 6:62
62En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.
1 Kron 6:76
76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.
1 Kron 7:13
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
1 Kron 12:34
34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
1 Kron 12:40
40En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel.
1 Kron 27:19
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
2 Kron 16:4
4En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maim, en alle schatsteden van Nafthali.
2 Kron 34:6
6Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,
Ps 68:27
27Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel!
Jes 9:1
1 Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen.
Ez 48:3-4
3En aan de landpale van Aser, van den oosterhoek af tot den westerhoek toe, Nafthali een. 4En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse een.
Ez 48:34
34De westerhoek, vier duizend en vijfhonderd; derzelver poorten drie: een poort van Gad, een poort van Aser, een poort van Nafthali.
Mat 4:13-15
13En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; 15Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken;