Jozefs vergeving aan zijn broeders

Na Jakobs dood vrezen de broeders Jozefs wraak. Jozef weent en zegt: Vreest niet, want ben ik in de plaats van God? Gijlieden hebt wel kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht, om een groot volk in het leven te behouden.

Jaar
2072 1933 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Gen 50:15-21
15Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben. 16Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende: 17Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken. 18Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten! 19En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God? 20Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden. 21Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.