Genesis 50

Toen viel op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.

En gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden .

En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.

Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:

Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.

En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.

En toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van ;

Daartoe het ganse huis van , en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.

En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.

Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.

Als de inwoners des lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-Mizraim, die aan het veer van de is.

En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had;

Want zijn zonen voerden hem in het land , en begroeven hem in de spelonk des akkers van , welke met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van , den Hethiet, tegenover .

Daarna keerde weder in , hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.

Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.

Daarom ontboden zij aan , zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:

Zo zult gij tot zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En weende, als zij tot hem spraken.

Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!

En zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?

Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.

Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.

dan woonde in , hij en het huis zijns vaders; en leefde honderd en tien jaren.

En zag van kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van , den zoon van Manasse, op Jozefs knieen geboren.

En zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan , en gezworen heeft.

En deed de zonen van zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!

En stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in .