Altaarbouw en wetvoorlezing op de Ebal

Jozua bouwt een altaar voor den HEERE op den berg Ebal van onbehouwen stenen en schrijft een afschrift van de wet van Mozes op de stenen. Het volk staat tegenover elkaar op de bergen Gerizim en Ebal, en Jozua leest alle woorden der wet voor, de zegen en de vloek.

Jaar
2310 1695 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Joz 8:30-35
30Toen bouwde Jozua een altaar den HEERE, den God van Israel, op den berg Ebal; 31Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, den kinderen Israels geboden had, achtereenvolgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij den HEERE brandofferen; ook offerden zij dankofferen. 32Aldaar schreef hij ook op stenen een dubbel van de wet van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der kinderen Israels. 33En gans Israel met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, bevolen had; om het volk van Israel in het eerst te zegenen. 34En daarna las hij overluid al de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat. 35Daar was niet een woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de gehele gemeente van Israel, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden.