Geba 1
NederzettingOmschrijving
Een levitische stad in het stamgebied van Benjamin, ongeveer tien kilometer ten noorden van Jeruzalem (Jozua 21:17). Geba was een strategisch belangrijke grenstad. Jonatan versloeg hier een Filistijnse wachtpost (1 Samuël 13:3), wat een groter conflict ontketende. De stad lag tegenover Michmas, gescheiden door een ravijn (1 Samuël 14:5). Geba markeerde later de noordgrens van het koninkrijk Juda.
Kaart
Historische gebeurtenissen
Bijbelverzen
Joz 21:17
17En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
1 Sam 13:3-4
3Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen. 4Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal.
1 Sam 13:16
16En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.
1 Sam 14:5
5De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.
1 Kon 15:22
22Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmede Baesa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-Benjamins, en Mizpa.
1 Kron 6:60
60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
1 Kron 8:6
6Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;
2 Kron 16:6
6Toen nam de koning Asa gans Juda, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmede Baesa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Geba en Mizpa.
Ezra 2:26
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
Neh 7:30
30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
Neh 11:31
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
Neh 12:29
29En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.
Jes 10:29
29Zij trekken door den doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gibea Sauls vlucht.