Berg Ebal

Berg Wikidata

Omschrijving

Een berg van 938 meter boven zeeniveau en 366 meter boven het dal, aan de noordzijde waarvan de stad Sichem lag. Op deze berg moesten zes van de stammen (Deuteronomium 27:12-13) plaatsnemen en reageren op de vervloekingen die in het dal werden uitgesproken, waar de wet door de Levieten werd voorgelezen (Deuteronomium 11:29; 29:4, 13). Deze berg was ook de plaats van het eerste grote altaar dat voor de HEER werd opgericht (Deuteronomium 27:5-8; Jozua 8:30-35). Na deze gebeurtenis komt de naam Ebal niet meer voor in de Joodse geschiedenis.

Kaart

Personen

Historische gebeurtenissen

Bijbelverzen

Deut 11:29
29En het zal geschieden, als u de HEERE, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; dan zult gij den zegen uitspreken op den berg Gerizim, en den vloek op den berg Ebal.
Deut 27:4
4Het zal dan geschieden, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn, dat gij dezelve stenen, van dewelke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken;
Deut 27:13
13En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.
Joz 8:30-33
30Toen bouwde Jozua een altaar den HEERE, den God van Israel, op den berg Ebal; 33En gans Israel met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, bevolen had; om het volk van Israel in het eerst te zegenen.