Opstanding van Jezus

Type: Wonder
Categorie: Opwekking
Volgorde: 203
Jaar: 3999 6 BC

Op de eerste dag van de week komen vrouwen naar het graf van Jezus en vinden de steen weggerold. Een engel verkondigt dat Jezus is opgestaan uit de doden en niet meer hier is.

Bijbelverzen

Mat 28:1-6
1En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien. 2En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat op denzelven. 3En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. 4En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden. 5Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. 6Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.

Synoptische parallellen

Mar 16:1-6
1En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. 2En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; 3En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? 4(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. 6Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.
Luc 24:1-6
1En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 2En zij vonden den steen afgewenteld van het graf. 3En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet. 4En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen. 5En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden? 6Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
Joh 20:1-9
1En op den eersten dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen. 2Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben. 3Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. 4En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf. 5En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen; nochtans ging hij er niet in. 6Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen. 7En den zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold. 8Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde. 9Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.

Betrokken personen