Genezing van twee blinden bij Jericho (Bartimeüs)

Type: Wonder
Categorie: Genezing
Volgorde: 199
Jaar: 3999 6 BC
Locatie: Jericho

Bij Jericho roepen twee blinden, van wie er een Bartimeüs heet, Jezus aan als Zoon van David. Ondanks het aanmanen van de menigte om stil te zijn, wendt Jezus zich tot hen en herstelt hun gezichtsvermogen.

Bijbelverzen

Mat 20:29-34
29En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd. 30En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer. 31En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids! 32En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe? 33Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden. 34En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

Synoptische parallellen

Mar 10:46-52
46En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende. 47En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. 48En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner. 49En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u. 50En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. 51En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden. 52En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.
Luc 18:35-43
35En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende. 36En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware. 37En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. 38En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner! 39En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner! 40En Jezus, stilstaande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem, 41Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden. 42En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden. 43En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.