Verschijning van de verheerlijkte Christus
Johannes ziet te midden van zeven gouden kandelaren Eén den Zoon des mensen gelijk, bekleed met een lang kleed, het hoofd en haar wit gelijk witte wol en als sneeuw, Zijn ogen gelijk een vlam vuurs, Zijn voeten blinkend koper gelijk, en Zijn stem als een geluid van vele wateren. In Zijn rechterhand had Hij zeven sterren en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard.
Jaar
4099 95 AD
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Openb 1:12-18
12En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren; 13En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; 14En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; 15En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. 16En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht. 17En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; 18En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.