Vermaning tot gehoorzaamheid aan Gods inzettingen

Mozes vermaant het volk om nauwgezet Gods inzettingen en rechten te houden, niets toe te doen en niets af te doen van het woord Gods. Hij wijst op het voorbeeld van Baäl-Peor, waar allen die Baäl-Peor navolgden door God verdelgd werden, maar wie God aanhing in leven bleef.

Jaar
2310 1695 BC

Personen

Bijbelverzen

Deut 4:1-8
1Nu dan, Israel! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft. 2Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede. 3Uw ogen hebben gezien, wat God om Baal-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baal-Peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan. 4Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende. 5Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven. 6Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit groot volk alleen is een wijs en verstandig volk! 7Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen? 8En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?