Verdeling van de buit van Midian
God geeft regels voor de verdeling van de oorlogsbuit: de helft voor de strijders en de helft voor de gemeente. Van het deel der strijders gaat één op vijfhonderd naar de priesters; van het deel der gemeente één op vijftig naar de Levieten. De oversten brengen een vrijwillige gave van goud als verzoening.
Jaar
2309 1696 BC
Bijbelverzen
Num 31:25-54
25Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: 26Neem op de som van den buit der gevangenen van mensen en van beesten; gij en Eleazar, de priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering. 27En deel den buit in twee helften tussen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den strijd uitgegaan zijn, en tussen de ganse vergadering. 28Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen. 29Van hun helft zult gij het nemen, en den priester Eleazar geven tot een heffing des HEEREN. 30Maar van de helft der kinderen Israels zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en gij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel des HEEREN waarnemen. 31En Mozes, en Eleazar, de priester, deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. 32De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen; 33En twee en zeventig duizend runderen; 34En een en zestig duizend ezelen; 35En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend. 36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen. 37En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig. 38En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig. 39En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig. 40En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen. 41En Mozes gaf Eleazar, den priester, de schatting van de heffing des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. 42En van de helft der kinderen Israels, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden; 43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd; 44En de runderen waren zes en dertig duizend; 45En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd; 46En der mensen zielen zestien duizend;) 47Van die helft der kinderen Israels nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van den tabernakel des HEEREN waarnamen, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. 48Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden; 49En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man. 50Daarom hebben wij een offerande des HEEREN gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN. 51Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van het goud, alle welgewrochte vaten. 52En al het goud der heffing, dat zij den HEERE offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden, en van de hoofdlieden der honderden. 53Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven. 54Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden, en zij brachten het in de tent der samenkomst, ter gedachtenis voor de kinderen Israels, voor het aangezicht des HEEREN.