Verbond van Abraham met Abimelech te Berseba

Abraham en Abimelech sluiten een verbond te Berseba over een waterput. Abraham plant een boom en roept de Naam des HEEREN aan.

Jaar
1870 2135 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Gen 21:22-34
22Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet. 23Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert. 24En Abraham zeide: Ik zal zweren. 25En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. 26Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden. 27En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond. 28Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder. 29Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt? 30En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb. 31Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden. 32Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen. 33En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan. 34En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.