Twist over de overlevering der ouden — rein en onrein
En de Farizeeën en sommigen der Schriftgeleerden kwamen tot Hem, die van Jeruzalem gekomen waren. En zij vraagden Hem: Waarom wandelen Uwe discipelen niet naar de overlevering der ouden, maar eten het brood met ongewasschen handen? Maar Hij antwoordde: Gij laat het gebod Gods na en houdt de overlevering der menschen. En Hij zeide: Er is niets van buiten den mensch ingaande hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het welke den mensch ontreinigen.
Jaar
4033 29 AD
Personen
Bijbelverzen
Mar 7:1-23
1En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; 2En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen. 3Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden. 4En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. 5Daarna vraagden Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? 6Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. 7Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen; 8Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. 9En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden. 10Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 11Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet. 12En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen; 13Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij. 14En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat. 15Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen. 16Zo iemand oren heeft om te horen, die hore. 17En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis. 18En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen? 19Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen. 20En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens. 21Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, 22Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand. 23Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.