Terugkeer van de heerlijkheid des HEEREN in de tempel

Ezechiël wordt naar de Oostpoort geleid en ziet de heerlijkheid van den God Israëls komen van den weg naar het oosten. Zijn stem is als het geluid van vele wateren, en de aarde wordt verlicht van Zijn heerlijkheid. De heerlijkheid des HEEREN gaat de tempel in door de Oostpoort. God zegt: Dit is de plaats Mijns troons en de plaats Mijner voetzolen, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls in eeuwigheid.

Jaar
3187 818 BC

Plaatsen

Bijbelverzen

Ez 43:1-12
1Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die den weg naar het oosten zag. 2En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israel kwam van den weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid. 3En alzo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht. 4En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag. 5En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld. 6En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij staande. 7En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israels, in eeuwigheid; en die van het huis Israels zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten; 8Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post nevens Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heiligen Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn. 9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid. 10Gij mensenkind; wijs den huize Israels dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten. 11En indien zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend den vorm van het huis, en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantien, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantien bewaren, en dezelve doen. 12Dit is de wet van het huis: op de hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom henen, een heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.