Spijziging van de vierduizend

In dezelfde dagen, als er eene zeer groote schare was en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijne discipelen tot Zich en zeide tot hen: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven en hebben niet wat zij eten zouden. En Hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende, brak Hij ze en gaf ze Zijnen discipelen. En die gegeten hadden waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.

Jaar
4033 29 AD

Personen

Bijbelverzen

Mar 8:1-10
1In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen: 2Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. 3En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. 4En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen? 5En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. 6En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor. 7En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen. 8En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. 9Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan. 10En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.