Reis door de woestijn en het lied van de put
Israël trekt verder via Oboth en Ijje-Abarim naar het dal van Zered en het gebied voorbij de Arnon. Bij Beër (put) geeft God water en zingt het volk het lied: 'Spring op, gij put! zingt haar bij beurte toe!'
Jaar
2309 1696 BC
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Num 21:10-20
10Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth. 11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon. 12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered. 13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. 14(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon, 15En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.) 16En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. 17(Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte! 18Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana; 19En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth; 20En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.