Registers van priesters en Levieten

Opsomming van de priesters en Levieten die met Zerubbabel terugkeerden, en de opvolgers tot in de tijd van Nehemia. De dienstindeling wordt vastgelegd.

Jaar
3317 688 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Neh 12:1-26
1Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, en Jesua, optogen: Seraja, Jeremia, Ezra, 2Amarja, Malluch, Hattus, 3Sechanja, Rehum, Meremoth, 4Iddo, Ginnethoi, Abia, 5Mijamin, Maadja, Bilga, 6Semaja, en Jojarib, Jedaja, 7Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden der priesteren, en hun broederen, in de dagen van Jesua. 8En de Levieten waren: Jesua, Binnui, Kadmiel, Serebja, Juda, Matthanja; hij en zijn broederen waren over de dankzeggingen. 9En Bakbukja, en Unni, hun broederen, waren tegen hen over in de wachten. 10Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada, 11En Jojada gewon Jonathan, en Jonathan gewon Jaddua. 12En in de dagen van Jojakim waren priesters, hoofden der vaderen: van Seraja was Meraja; van Jeremia, Hananja; 13Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan; 14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef; 15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai; 16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam; 17Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai; 18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan; 19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi; 20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber; 21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel. 22Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddua, de hoofden der vaderen beschreven; mitsgaders de priesteren, tot het koninkrijk van Darius, den Perziaan. 23De kinderen van Levi, de hoofden der vaderen, werden beschreven in het boek der kronieken, tot de dagen van Johanan, den zoon van Eljasib, toe. 24De hoofden dan der Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht. 25Matthanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortiers, de wacht waarnemende bij de schatkamers der poorten. 26Dezen waren in de dagen van Jojakim, den zoon van Jesua, den zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde.