Rede van Jakobus en besluit der vergadering

Jakobus bevestigt met Amos' profetie dat God uit de heidenen een volk voor Zijnen Naam aanneemt. Hij stelt voor hun te schrijven dat zij zich onthouden van de bezoedelingen der afgoden, van hoererij, van het verstikte en van bloed.

Jaar
4053 49 AD

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Hand 15:12-21
12En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij. 14Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam. 15En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: 16Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten. 17Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet. 18Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. 19Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere; 20Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed. 21Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.