Profetie over de dag des HEEREN

Jesaja profeteert over de dag des HEEREN, die komen zal over alle hoovaardigen en verhevenen. Alle menselijke trots zal vernederd worden en de HEERE alleen zal te dien dage verheven zijn. De mensen zullen hun afgoden wegwerpen en vluchten in de spelonken der rotsstenen.

Jaar
3021 984 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Jes 2:6-22
6Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen. 7En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde. 8Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben. 9Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult Gij het hun niet vergeven. 10Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit. 11De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn. 12Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; 13En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; 14En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen; 15En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur; 16En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen. 17En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn. 18En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan. 19Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. 20In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen; 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken. 22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?