Poging tot steniging wegens godslastering

De Joden nemen wederom steenen op om Hem te steenigen. Jezus vraagt: Om welk goed werk steenigt gij Mij? Zij antwoorden: Niet om een goed werk maar om godslastering, omdat Gij, een Mensch zijnde, Uzelven God maakt. Jezus wijkt over den Jordaan naar de plaats waar Johannes eerst doopte.

Jaar
4033 29 AD

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Joh 10:31-42
31De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen. 32Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij? 33De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over gods lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt. 34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden? 35Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden; 36Zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? 37Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet; 38Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem. 39Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand. 40En Hij ging wederom over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar. 41En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Dezen zeide, was waar. 42En velen geloofden aldaar in Hem.