Pinksteren
Een groep volgelingen komt samen in Jeruzalem. Er vindt een gebeurtenis plaats die hun optreden verandert.
Jaar
4033 29 AD
Wereldbevolking
~300 miljoen
Plaatsen
Bijbelverzen
Hand 2:1-13
1En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. 2En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. 3En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. 4En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. 5En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. 6En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers? 8En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? 9Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie. 10En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; 11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken. 12En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn? 13En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.