Overwinning op de koning van Arad
De Kanaänitische koning van Arad in het Zuiderland hoort dat Israël nadert en valt aan, waarbij hij enigen gevangen neemt. Israël doet een gelofte aan den HEERE: als God de vijand in hun hand geeft, zullen zij de steden met de ban slaan. God verhoort en zij verslaan Arad. De plaats wordt Horma genoemd.
Jaar
2309 1696 BC
Personen
Bijbelverzen
Num 21:1-3
1Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg. 2Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. 3De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.