Organisatie van de Levieten en priesters
David organiseert de Levieten naar hun families voor de dienst in het huis Gods. De priesters worden in 24 afdelingen verdeeld naar de zonen van Eleazar en Ithamar, onder leiding van Zadok en Ahimelech.
Jaar
2746 1259 BC
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
1 Kron 23:1-32
1Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israel. 2En hij vergaderde al de vorsten van Israel, ook de priesters en de Levieten. 3En de Levieten werden geteld, van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hun hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend. 4Uit dezen waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis des HEEREN aan te drijven; en zes duizend ambtlieden en rechters; 5En vier duizend poortiers, en vier duizend lofzangers des HEEREN, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zeide David, om lof te zingen. 6En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari. 7Uit de Gersonieten waren Ladan en Simei. 8De kinderen van Ladan waren dezen: Jehiel, het hoofd, en Zetham, en Joel; drie. 9De kinderen van Simei waren Selomith, en Haziel, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan. 10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier. 11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling. 12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier. 13De kinderen van Amram waren Aaron en Mozes. Aaron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht des HEEREN, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen. 14Aangaande nu Mozes, den man Gods, zijn kinderen werden genoemd onder den stam van Levi. 15De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliezer. 16Van de kinderen van Gersom was Sebuel het hoofd. 17De kinderen van Eliezer nu waren dezen: Rehabja het hoofd; en Eliezer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste. 18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd. 19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde. 20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede. 21De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis. 22En Eleazar stierf, en hij had geen zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, haar broeders, namen ze. 23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie. 24Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis hunner vaderen, de hoofden der vaderen, naar hun gerekenden in het getal der namen naar hun hoofden, doende het werk van den dienst van het huis des HEEREN van twintig jaren oud en daarboven. 25Want David had gezegd: De HEERE, de God Israels, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid. 26En ook aangaande de Levieten, dat zij den tabernakel, noch enig van deszelfs gereedschap, tot deszelfs dienst behorende, niet meer zouden dragen. 27Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven; 28Omdat hun standplaats was aan de hand der zonen van Aaron in den dienst van het huis des HEEREN, over de voorhoven, en over de kameren, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van den dienst van het huis Gods; 29Te weten tot het brood der toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting; 30En om alle morgens te staan, om den HEERE te loven en te prijzen; en desgelijks des avonds; 31En tot al het offeren der brandofferen des HEEREN, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezicht des HEEREN; 32En dat zij de wacht van de tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen van Aaron, hun broederen, in den dienst van het huis des HEEREN.
1 Kron 24:1-31
1Aangaande nu de kinderen van Aaron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Aaron waren Nadab, en Abihu, Eleazar en Ithamar. 2Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht huns vaders, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt. 3David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst. 4En van de kinderen van Eleazar werden meer gevonden tot hoofden der mannen, dan van de kinderen van Ithamar, als zij hen afdeelden; van de kinderen van Eleazar waren zestien hoofden der vaderlijke huizen, maar van de kinderen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht. 5En zij deelden hen door loten af, dezen met genen; want de oversten des heiligdoms en de oversten Gods waren uit de kinderen van Eleazar en van de kinderen van Ithamar. 6En Semaja, de zoon van Nethaneel, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht des konings, en van de vorsten, en van den priester Zadok, en van Achimelech, den zoon van Abjathar, en van de hoofden der vaderen onder de priesters en onder de Levieten; een vaderlijk huis werd genomen voor Eleazer, en desgelijks werd genomen voor Ithamar. 7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja, 8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim, 9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin, 10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia, 11Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja, 12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim, 13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab, 14Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer, 15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes, 16Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel, 17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul, 18Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maazja. 19Het ambt van dezen in hun dienst was te gaan in het huis des HEEREN, naar hun ordening door de hand van Aaron, huns vaders; gelijk als hem de HEERE, de God Israels, geboden had. 20Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Subael, van de kinderen van Subael was Jechdeja. 21Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd. 22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath. 23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde. 24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir; 25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja. 26De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno. 27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri. 28Van Maheli was Eleazar; en die had geen kinderen. 29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel. 30En de kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jerimoth. Dezen zijn de kinderen der Levieten, naar hun vaderlijke huizen. 31En zij wierpen ook loten, nevens hun broederen, de zonen van Aaron, voor het aangezicht van den koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de hoofden der vaderen onder de priesteren en onder de Levieten; het hoofd der vaderen tegen zijn kleinsten broeder.