Opwekking van het dochtertje van Jaïrus
En er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijne voeten, en bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste. Terwijl Hij nog sprak, kwamen eenigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven. Jezus zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet, geloof alleenlijk. En vatte de hand des kinds en zeide tot haar: Talitha, kúmi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje, Ik zeg u, sta op. En terstond stond het dochtertje op en wandelde.
Jaar
4032 28 AD
Personen
Bijbelverzen
Mar 5:21-24
21En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee. 22En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, 23En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven. 24En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.
Mar 5:35-43
35Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk? 36En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk. 37En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus; 38En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden. 39En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. 40En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag. 41En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op. 42En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting. 43En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.