Omtrekking van het land Edom (kinderen van Ezau)
Na vele dagen bij Kades keerden zij om naar de woestijn, den weg van de Schelfzee. Bij het gebergte Seïr gebood God hen het land van Ezaus kinderen niet aan te tasten, want Hij had Seïr aan Ezau als erfenis gegeven. Zij moesten spijze en water van hen kopen.
Jaar
2310 1695 BC
Bijbelverzen
Deut 2:1-8
1Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seir, vele dagen. 2Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende: 3Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden; 4En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten. 5Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seir ter erfenis gegeven. 6Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinket. 7Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken. 8Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab.