Nog te veroveren gebieden
God wijst Jozua, die nu oud en wel bedaagd is, op de gebieden die nog niet veroverd zijn: het land der Filistijnen, het gebied der Gesurieten, het land van de Sidoniërs tot Afek, en het land der Amorieten en Giblieters. God belooft deze zelf voor Israël uit te drijven.
Jaar
2316 1689 BC
Personen
Bijbelverzen
Joz 13:1-7
1Jozua nu was oud, wel bedaagd; en de HEERE zeide tot hem: Gij zijt oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten. 2Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen der Filistijnen en het ganse Gesuri. 3Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat den Kanaanieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 4Van het zuiden, het ganse land der Kanaanieten, en Meara, die van de Sidoniers is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amorieten. 5Daartoe het land der Giblieten, en de ganse Libanon tegen den opgang der zon, van Baal-Gad, onder aan den berg Hermon, tot aan den ingang van Hamath. 6Allen, die op het gebergte wonen van den Libanon aan tot Misrefoth-maim toe, al de Sidoniers; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht der kinderen Israels; alleenlijk maak, dat het Israel ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb. 7En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan den halven stam van Manasse,