Mozes begint zijn eerste rede in het Overjordaanse

In het veertigste jaar, op den eersten der elfde maand, spreekt Mozes tot gans Israël aan gene zijde van de Jordaan, in de woestijn, in het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en Tofel en Laban en Hazeroth en Dizahab. Elf dagreizen zijn het van Horeb af, door den weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-Barnea.

Jaar
2310 1695 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Deut 1:1-5
1Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israel gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab. 2Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-Barnea. 3En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op den eersten der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israels, naar alles wat hem de HEERE aan hen bevolen had; 4Nadat hij geslagen had Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edrei. 5Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende: