Juda en Simeon veroveren Kanaänitisch gebied

Na de dood van Jozua vraagt Israël den HEERE wie het eerst zal optrekken tegen de Kanaänieten. De HEERE wijst Juda aan. Juda nodigt Simeon uit en samen verslaan zij de Kanaänieten en Ferezieten bij Bezek, tienduizend man.

Jaar
2336 1669 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Recht 1:1-7
1En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen? 2En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven. 3Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem. 4En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man. 5En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten. 6Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af. 7Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.