Jezus wijst Judas aan als verrader
Jezus wordt ontroerd in den geest en zegt: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, een van u zal Mij verraden. De discipelen zien elkander aan. Johannes, die aan de borst van Jezus aanligt, vraagt: Heere, wie is het? Jezus antwoordt: Die is het dien Ik den bete gedoopt hebbende, geven zal. Hij geeft den bete aan Judas Iskariot. Na den bete vaart de satan in hem. Jezus zegt: Wat gij doet, doe het haastelijk.
Jaar
4034 30 AD
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Joh 13:18-30
18Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. 19Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt, dat Ik het ben. 20Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. 21Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden. 22De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide. 23En een van Zijn discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. 24Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide. 25En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het? 26Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. 27En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk. 28En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide. 29Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou. 30Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht.