Jezus weent bij het graf van Lazarus

Maria komt bij Jezus en valt aan Zijn voeten, weenende. Als Jezus haar ziet weenen en de Joden die met haar meekomen ook weenende, wordt Hij zeer bewogen in den geest en ontroert Zichzelven. Jezus weent. De Joden zeggen: Ziet hoe lief Hij hem had.

Jaar
4034 30 AD

Personen

Bijbelverzen

Joh 11:28-37
28En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u. 29Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem. 30(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.) 31De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene. 32Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven. 33Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven; 34En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het. 35Jezus weende. 36De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had! 37En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?