Jezus wandelt op de zee
Jezus dwingt de discipelen in het schip te gaan. In de vierde nachtwake komt Hij tot hen, wandelende op de zee. Petrus vraagt om ook op het water te mogen komen. Hij wandelt, maar als hij den sterken wind ziet wordt hij bevreesd en begint te zinken. Jezus grijpt hem: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?
Jaar
4033 29 AD
Personen
Bijbelverzen
Mat 14:22-33
22En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten. 23En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen. 24En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen. 25Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. 26En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees. 27Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet. 28En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water. 29En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. 30Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! 31En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld? 32En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind. 33Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!