Jezus verschijnt aan Maria Magdalena — Raak Mij niet aan

Maria staat weenende bij het graf en ziet twee engelen zitten. Zij ziet Jezus staan maar kent Hem niet. Jezus zegt: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij meent dat het de hovenier is. Jezus zegt: Maria! Zij keert zich om en zegt: Rabbouni! Jezus zegt: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijnen Vader. Ga heen tot Mijne broeders.

Jaar
4034 30 AD

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Joh 20:11-18
11En Maria stond buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf; 12En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd, en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. 13En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. 14En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was. 15Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. 16Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester. 17Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. 18Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.