Jezus stilt de storm op het meer
En er werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzoo dat het nu vol werd. En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan? En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil. En de wind ging liggen en er werd groote stilte. En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
Jaar
4031 27 AD
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
Mar 4:35-41
35En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. 36En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem. 37En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd. 38En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? 39En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte. 40En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? 41En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?