Israël vraagt om een koning

Als Samuël oud wordt, stelt hij zijn zonen Joël en Abia als richters aan, maar zij wandelen niet in zijn wegen en buigen naar gewin. De oudsten van Israël komen tot Samuël te Rama en vragen: 'Stel ons een koning aan om ons te richten, gelijk alle volken.'

Jaar
2711 1294 BC

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

1 Sam 8:1-5
1Het geschiedde nu, toen Samuel oud geworden was, zo stelde hij zijn zonen tot richters over Israel. 2De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joel, en de naam van zijn tweeden was Abia; zij waren richters te Ber-seba. 3Doch zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht. 4Toen vergaderden zich alle oudsten van Israel, en zij kwamen tot Samuel te Rama; 5En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben.