Intocht van Jezus in Jeruzalem

En als zij Jeruzalem genaakten te Bethfagé en Bethanië, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijne discipelen uit en zeide: Gaat heen in het vlek dat tegenover u is; en terstond als gij daarin komt, zult gij een veulen gebonden vinden, op hetwelk geen mensch gezeten heeft; ontbindt het en brengt het. En velen spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden ze op den weg. En die voorgingen en die volgden, riepen: Hosánna! Gezegend is Hij Die komt in den Naam des Heeren!

Jaar
4034 30 AD

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Mar 11:1-11
1En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanie, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit, 2En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het. 3En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? Zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden. 4En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve. 5En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan. 7En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve. 8En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg. 9En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! 10Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! 11En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanie met de twaalven.