Het Magnificat — de lofzang van Maria
Maria zingt een lofzang op Gods grootheid en genade. Zij prijst den Heere dat Hij de nederige heeft aangezien, groote dingen aan haar gedaan heeft, en machtigen van de tronen heeft afgetrokken. Zij herinnert aan Gods barmhartigheid jegens Abraham en zijn zaad.
Jaar
3999 6 BC
Personen
Bijbelverzen
Luc 1:46-56
46En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere; 47En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; 48Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. 49Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam. 50En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen. 51Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. 52Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. 53Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden. 54Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid. 55(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid. 56En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.