Het lege graf — de opstanding

En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna en Maria, de moeder van Jakobus, en Salomé specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. En zeer vroeg op den eersten dag der week kwamen zij tot het graf, als de zon opging. En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij eenen jongeling zittende ter rechterzijde, bekleed met een lang wit kleed, en werden verbaasd. Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazaréner, Die gekruisigd was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats waar zij Hem gelegd hadden.

Jaar
4034 30 AD

Personen

Plaatsen

Bijbelverzen

Mar 16:1-8
1En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. 2En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; 3En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? 4(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. 6Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. 7Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft. 8En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.