Geslachtsregisters van de overige stammen
Uitgebreide geslachtsregisters van de stammen Simeon, Ruben, Gad, Manasse, Levi, Issaschar, Benjamin, Naftali, Efraïm en Aser, met hun vestigingsgebieden.
Jaar
2361 1644 BC
Personen
Plaatsen
Bijbelverzen
1 Kron 4:1-43
1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal. 2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten; 3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi. 4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem. 5Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara. 6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara. 7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan. 8En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum. 9Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. 10Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde. 11En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston. 12Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha. 13En de kinderen van Kenaz waren Othniel en Seraja; en de kinderen van Othniel, Hathath. 14En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters. 15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz. 16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel. 17En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemoa. 18En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekuthiel, den vader van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had. 19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet. 20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth. 21De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea. 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud. 23Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk. 24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul. 25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon. 26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon. 27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda. 28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual, 29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad, 30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag, 31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd. 32En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden. 33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen. 34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia, 35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel, 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja, 37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja; 38Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte. 39En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen. 40En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar tevoren. 41Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen. 42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden. 43En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.
1 Kron 5:1-41
1De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israel; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israel; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 2Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.) 3De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi. 4De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei; 5Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baal; 6Zijn zoon Beera, welken Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten. 7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja, 8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon, 9En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead. 10En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead. 11De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe. 12Joel was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan. 13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven. 14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz. 15Ahi, de zoon van Abdiel, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen. 16En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen. 17Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den koning van Israel. 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir. 19En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab. 20Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden. 21En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen. 22Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden. 23De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baal-Hermon, en Senir, en den berg Hermon. 24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen. 25Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd. 26Zo verwekte de God Israels den geest van Pul, den koning van Assyrie, en den geest van Tiglath-Pilneser, den koning van Assyrie, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.
1 Kron 6:1-81
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel. 3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua; 5En Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi; 6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth; 7En Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub; 8En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz; 9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan; 10En Johanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had. 11En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub; 12En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum; 13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja; 14En Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak; 15En Jozadak ging mede, als de HEERE Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnezar. 16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari. 17En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei. 18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel. 19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen. 20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma; 21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai. 22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir; 23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir; 24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul. 25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth. 26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath; 27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana. 28De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia. 29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza; 30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja. 31Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rust gekomen was. 32En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt. 33Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joel, den zoon van Samuel, 34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah, 35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai, 36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja, 37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, 38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel. 39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea, 40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija, 41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja, 42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei, 43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi. 44Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch, 45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia, 46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer, 47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi. 48Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods. 49Aaron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had. 50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon; 51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon; 52Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon; 53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon. 54En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van Aaron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen. 55En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve. 56Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne. 57En den kinderen van Aaron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden, 58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden, 59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden. 60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden. 61Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden. 62En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden. 63De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden. 64Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden. 65En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden. 66Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van Efraim. 67Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraim, en Gezer en haar voorsteden, 68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden, 69En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden. 70En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden: 71De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden. 72En van den stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden, 73En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden. 74En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden, 75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden. 76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden. 77De overige kinderen van Merari hadden van den stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden; 78En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden, 79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden; 80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden, 81En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.
1 Kron 7:1-40
1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier. 2De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriel, en Jachmai, en Jibsam, en Samuel; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd. 3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden. 4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen. 5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde. 6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie. 7En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig. 8De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliezer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher. 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd. 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar. 11Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde. 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher. 13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha. 14De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead. 15Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters. 16En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem. 17De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse. 18Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela. 19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam. 20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath; 21En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. 22Daarom droeg Efraim, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten. 23Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis. 24Zijn dochter nu was Seera, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seera. 25En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan; 26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama; 27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua. 28En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen. 29En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond. 30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster. 31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith. 32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster. 33De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet. 34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram. 35En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal. 36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra, 37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera. 38De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara. 39En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja. 40Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.
1 Kron 8:1-40
1Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde, 2Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde. 3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud, 4En Abisua, en Naaman, en Ahoah, 5En Gera, en Sefufan, en Huram. 6Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath; 7En Naaman, en Ahia, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahihud. 8En Saharaim gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Baara, zijn vrouwen; 9En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham, 10En Jeuz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen. 11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal. 12De kinderen van Elpaal nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar onderhorige plaatsen; 13En Beria, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajalon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven. 14En Ahjo, Sasak en Jeremoth, 15En Zebadja, en Arad, en Eder, 16En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria. 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber, 18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal. 19En Jakim, en Zichri, en Zabdi, 20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel, 21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei. 22En Jispan, en Eber, en Eliel, 23En Abdon, en Zichri, en Hanan, 24En Hananja, en Elam, en Antothija, 25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak. 26En Samserai, en Seharja, en Athalja, 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham. 28Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem. 29En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam zijner huisvrouw was Maacha. 30En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab, 31En Gedor, en Ahio, en Zecher. 32En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen. 33Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal. 34En Jonathans zoon was Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha. 35De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz. 36En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza; 37En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel. 38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel. 39En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde. 40En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, den boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al dezen waren van de kinderen van Benjamin.